Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft in 2022 problemen heeft gekregen met zijn collega [persoon1] . De aanleiding hiervoor was eisers christelijke achtergrond. [persoon1] probeerde eiser te bekeren tot de Islam. Eiser zou de profeet hebben beledigd volgens [persoon1] , waarna hij door hem is bedreigd. De werkgever van eiser zou tussen hen bemiddelen, maar toen eiser hiervoor op zijn werk aankwam is hij door [persoon1] en zijn werkgever opgesloten in het magazijn en wilden ze eiser vermoorden. Eiser is ontsnapt en is daarna gevlucht. Vervolgens is een fatwa uitgesproken.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
Problemen op de werkplek van eiser vanwege religie;
Problemen vanwege de fatwa.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eerste asielmotief geloofwaardig is, maar het tweede en derde niet. Dit omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.
Problemen op de werkplek van eiser vanwege religie
5. Eiser voert aan dat de minister zijn verklaringen over zijn problemen op zijn werkplek ten onrechte ongeloofwaardig acht. Eiser had een goede band met zijn werkgever op het gebied van werk. Nergens blijkt echter uit dat een goede professionele relatie bescherming biedt tegen een blasfemiebeschuldiging. Eiser behoort als christen tot religieuze minderheid, zijn werkgever niet. Eiser verwijst naar het algemeen ambtsbericht over Pakistan van 2024, pagina 62, waaruit volgt dat christenen worden gezien als tweederangsburgers en dat mensen in blasfemiezaken partij kiezen tegen de beschuldigde persoon. Volgens islamitisch recht komt aan een verklaring van een moslim meer gewicht toe dan aan die van een christen. Zijn relaas komt dus overeen met de landeninformatie. Verder vindt de minister het onvoorstelbaar dat de werkgever niet de kant van de werknemer koos vanwege de goede band die ze hebben, maar stelt tegelijk ook dat het onvoorstelbaar is dat eiser dacht dat de werkgever wil en kan bemiddelen. Dit is inconsistent van de minister. Het is juist begrijpelijk dat eiser het aanbod van zijn werkgever aannam om te bemiddelen, gezien de moeilijke positie van eiser als christen.
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verklaringen van eiser op dit punt geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft terecht opgemerkt dat er een inconsistentie zit in de argumentatie van de minister. Aan de ene kant vindt de minister eisers problemen met een collega ongerijmd omdat hij een lange en goede band had met de werkgever, waardoor de minister eiser niet volgt dat de werkgever het woord van die collega geloofd en dat van eiser niet. Aan de andere kant vindt de minister het ook ongerijmd vindt dat eiser inging op een bemiddelingspoging van de werkgever omdat hij geloofde dat zijn werkgever hem in bescherming zou nemen tegen de blasfemiebeschuldiging van de collega. Dat eiser een goede band had met zijn werkgever, is hiervoor onvoldoende volgens de minister. Ook heeft de minister niet goed gemotiveerd waarom het ongerijmd is dat zijn werkgever het woord van eisers collega geloofde en zijn woord niet. Eiser heeft gewezen op algemene informatie over de betekenis van het ‘woord van een christen’ tegenover het ‘woord van een moslim’ in Pakistan. De minister heeft deze algemene informatie niet betrokken bij de beoordeling van de eisers verklaring op dit punt.
7. Ten aanzien van de opsluiting in het magazijn, is de rechtbank van oordeel dat de minister niet inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom eisers verklaringen op dit punt niet aannemelijk zouden zijn. De minister vindt de verklaringen eiser ongerijmd, omdat zijn werkgever anders had kunnen reageren door al eerder een massa te mobiliseren of eiser te doden. De minister vindt daarbij van belang dat het opsluiten van eiser niet past bij de opvatting van zijn werkgever en collega dat eiser op dat moment dood moest. Door hem onbewaakt in het afgesloten magazijn op te sluiten en niet gelijk te handelen, zou eiser een kans tot ontsnapping krijgen. Eiser heeft er echter op gewezen dat in Pakistan menigten worden opgeroepen om blasfemiekwesties ‘op te lossen’.3 De omstandigheid dat de minister een alternatief scenario meer waarschijnlijk vindt en eisers verklaringen daarom ongerijmd, is niet kenbaar gebaseerd op algemene informatie over Pakistan. De motivering van de minister kan de argumentatie daarom niet dragen.
Problemen vanwege de fatwa
8. Ten aanzien van de problemen vanwege de fatwa is de rechtbank van oordeel dat de minister ontoereikend heeft gemotiveerd dat de verklaringen van eiser op dit punt geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Het standpunt van de minister over de problemen op eisers werkplek vanwege religie, werkt volgens het bestreden besluit door naar de beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde problemen vanwege de fatwa, omdat eiser geen andere problemen naar voren heeft gebracht die de fatwa kunnen onderbouwen.4 Het oordeel van de rechtbank over de problemen van eiser op zijn werkplek vanwege zijn religie werkt daarom door in de beoordeling van de minister op het punt van de fatwa. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan de minister er zonder nadere motivering niet vanuit gaan dat de problemen van eiser op zijn werkplek vanwege zijn religie ongeloofwaardig zijn.
De foto’s van de fatwa
9. Eiser heeft kopieën overgelegd van foto’s waarop volgens eiser de fatwa te zien is op een muur in zijn wijk en op zijn huis. Volgens de minister zijn deze foto’s overduidelijk
3 Eiser heeft verwezen naar: ‘Blasphemy Trials in Pakistan: Legal Process as Punishment’, Clooney Foundation for Justice, september 2024.
4 Pagina’s 5 en 6 van het bestreden besluit.
bewerkt en in het voornemen heeft de minister toegelicht waarom die conclusie is getrokken. De minister is van mening dat het aanleveren van deze niet authentieke documenten de ongeloofwaardigheid van de fatwa versterkt. Eiser betwist de conclusie van de minister over de foto’s en stelt daar een andere ‘lezing’ van de foto’s tegenover.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd dat de foto’s overduidelijk bewerkt zijn. De rechtbank kan aan de foto’s niet duidelijk zien dat deze overduidelijk bewerkt zijn. Aan die conclusie ligt geen deskundigenrapport ten grondslag maar de opvatting van de betreffende medewerker die, zoals de minister op zitting heeft verklaard, niet specifiek deskundig is op het gebied van (bewerkte) foto’s. De minister heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd dat de overgelegde foto’s de ongeloofwaardigheid van de fatwa versterken.
Tijdlijn
11. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte uitgaat van een onjuiste tijdlijn. De minister heeft de verklaringen van eiser op een aantal punten verkeerd gelezen. Eiser heeft niet in [plaats 1] gewerkt, zoals de minister stelt. Ook zou eiser volgens de minister hebben verklaard dat de fatwa’s pas een maand na zijn vertrek zijn verspreid.
12. De rechtbank is het met eiser eens dat de minister in het besluit uitgaat van een onjuiste tijdlijn in eisers verklaringen. Eiser heeft verklaard:
“Hebt u naast de fatwa en wat er op uw voordeur is geplakt, en wat uw werkgever en [persoon1] tegen u heeft gezegd, nog andere bedreigingen in Pakistan ontvangen?
Ik werd bedreigd door [persoon1] op mijn werk, in [plaats 1] . En ik had mijn mobiele telefoonnummer geblokkeerd.
U bent door [persoon1] bedreigt op uw werk en in [plaats 1] , klopt dat?
Ja, telefonisch in [plaats 1] .
En daarna hebt u uw mobiele telefoonnummer geblokkeerd, klopt dat?
Ja.”
5
De minister maakt hieruit op dat eiser heeft verklaard dat hij in [plaats 1] heeft gewerkt, waardoor de tijdlijn van het relaas van eiser niet meer zou kloppen. De rechtbank volgt de minister hierin niet. De rechtbank is het met eiser eens dat uit zijn verklaringen eerder volgt dat hij is bedreigd op zijn werk én in [plaats 1] . In de verduidelijkende vraag blijkt dat hij in [plaats 1] telefonisch is bedreigd. Uit de overige verklaringen van eiser blijkt dat hij is gevlucht naar [plaats 1] en daarna naar [plaats 2] , en dat hij kort in [plaats 1] heeft verbleven.
13. Dat eiser heeft verklaard dat pas na een maand na zijn vertrek de fatwa’s zouden zijn verspreid, volgt de rechtbank ook niet. Eiser heeft hier het volgende over verklaard:
“
Een persoon zei, ik weet waar [eiser] ben, dat ben ik. [eiser] is bij mijn tante in [plaats 1] . En die tante zei, dit heb ik van [persoon2] gehoord en jij moet jouw leven zien veilig te stellen. Zij hebben foto’s gemaakt van de fatwa en in de hele wijk deze fatwa’s geplakt dat ik gedood moet worden.
5 Nader gehoor, pagina 18.
(…)
[persoon2] heeft de foto’s gemaakt in de wijk. Na een maand hebben ze dit bij ons huis geplakt dat ik gedood moest worden en dat ons huis is overgedragen aan [school] , dat is een Islamitische school.”6
14. De rechtbank leest hierin niet dat pas na een maand fatwa’s zijn geplakt in de wijk. De rechtbank volgt eiser dat het plakken van de fatwa bij zijn huis ziet op een ander, later moment.
15. Het standpunt van de minister dat uit de verklaringen van eiser volgt dat de tijdlijn niet klopt, volgt de rechtbank dan ook niet. De beroepsgrond slaagt.