Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9961

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
26/2355
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015KinderrechtenverdragEuropees Verdrag voor de Rechten van de MensEuropees Sociaal HandvestInternationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toegewezen voor noodopvang moeder en minderjarige dochter in Den Haag

Verzoekster en haar minderjarige dochter verblijven sinds 11 maart 2026 op een opvanglocatie van het Rode Kruis en dreigen deze te moeten verlaten. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees een verzoek om noodopvang af omdat verzoekster niet voldeed aan de bindingseis van minimaal twee jaar inschrijving in de gemeente.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het college het belang van de minderjarige onvoldoende heeft meegewogen en dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Gezien het spoedeisende belang en het belang van de minderjarige weegt de rechter het verzoek van verzoekster positief af.

De voorlopige voorziening schorst het bestreden besluit en beveelt het college om noodopvang te bieden tot zes weken na de beslissing op bezwaar, tenzij opvang in eigen kring mogelijk is. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en beveelt het college noodopvang te bieden aan verzoekster en haar minderjarige dochter tot zes weken na bezwaarbeslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/2355
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 april 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster],uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft het college afwijzend beslist op het verzoek van verzoekster van 11 maart 2026 om voor zichzelf en haar minderjarige kind [minderjarige] per direct noodopvang te regelen.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Voorafgaand aan de zitting heeft de voorzieningenrechter in aanwezigheid van de griffier en de tolk een kindgesprek gevoerd met [minderjarige], de minderjarige dochter van verzoekster.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Chaker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Een voorlopige voorziening kan worden getroffen, wanneer de belanghebbende daar een spoedeisend belang bij heeft. Daarvan is in het geval van verzoekster sprake. Op dit moment verblijft verzoekster samen met haar minderjarige dochter (geboren op
[geboortedatum] 2013) op een opvanglocatie van het Rode Kruis. Verzoekster verblijft sinds 11 maart 2026, tot aan de datum van deze uitspraak, op een opvanglocatie van het Rode Kruis.
Omdat zij die opvang moeten verlaten heeft verzoekster spoedeisend belang.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Eerdere procedure
3.1.
Verzoekster heeft op 7 januari 2026 een aanvraag gedaan om toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Het college heeft op dezelfde dag verzoekster en haar dochter tijdelijk opgevangen in een hotel. Het college heeft de aanvraag bij besluit van 6 februari 2026 afgewezen.
3.2.
De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 6 maart 2026 (SGR 26/1266) het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich terecht en op basis van voldoende onderzoek op het standpunt gesteld dat verzoekster zelfredzaam is en dat om die reden een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang op grond van de Wmo 2015 niet aangewezen is.
Het bestreden besluit
4. Bij het bestreden besluit heeft het college het verzoek van verzoekster om per direct noodopvang te verstrekken afgewezen op de grond dat een noodopvangvoorziening niet bestaat onder de Wmo. De enige noodopvang binnen Den Haag betreft een afzonderlijke, tijdelijke voorziening die in de regio Haaglanden wordt georganiseerd via [stichting]. Voor plaatsing in deze voorziening gelden de door de gemeente vastgestelde toelatingscriteria waaraan verzoekster niet voldoet, namelijk:
- betrokkene moet ten minste twee jaar woonachtig zijn geweest in de gemeente Den Haag en ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Den Haag;
- betrokkene moet op grond van de verblijfsstatus recht hebben op sociale voorzieningen;
- betrokkene moet een zelfstandige woning hebben verlaten;
- betrokkene mag niet eerder om dezelfde reden gebruik hebben gemaakt van de
noodopvangvoorziening.
Het verzoek
5. Verzoekster verzoekt om een voorziening te treffen hangende bezwaar, te weten een kindvriendelijke opvang voor verzoekster en haar dochter tot zes weken na het besluit op bezwaar. Het bestreden besluit geeft volgens verzoekster geen blijk van een evenredige belangenafweging. Verzoekster heeft geen inkomen en haar netwerk is uitgeput. Het college kiest er volgens verzoekster zelf voor om geen briefadres te verstrekken, waarmee de kans op werk bemoeilijkt wordt. Verzoekster zou al op zeer korte termijn in de zorg aan het werk kunnen. [minderjarige] zou op de [schoolnaam] kunnen starten. Zij hebben tijdelijk hulp nodig van de gemeente zodat zij ergens veilig kunnen overnachten. Een kind op straat laten leven zonder enige vorm van beschutting of inkomen is inhumaan. Ook dreigt hierdoor een scheiding tussen moeder en kind. Voor zover er niet wordt voldaan aan door het college zelf opgestelde criteria dient zij hierop een uitzondering te maken op grond van verdragsrecht en recht van de Europese Unie. De hulp weigeren is onevenredig en komt in strijd met het Kinderrechtenverdrag, EVRM, ESH, IVESCR en het Verdrag van Istanbul. Volgens verzoekster moet een gezin in acute nood hulp krijgen, zodat onomkeerbare schade niet optreedt.
Het oordeel
6. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling van het verzoek.
6.1.
Het college heeft ter zitting een toelichting gegeven op het beleid inzake ‘de plaatsing van huishoudens in de noodopvang’ van 16 mei 2003 (met kenmerk BSW/2003.121). Dit beleid houdt in dat voor een korte periode noodopvang wordt geregeld voor gezinnen die niet in aanmerking komen voor opvang op grond van de Wmo en die voldoen aan een aantal voorwaarden, waaronder de bindingseis. De noodopvang binnen Den Haag wordt georganiseerd via [stichting].
6.2.
Noodopvang voor dakloze gezinnen is geen algemene voorziening op grond van de Wmo, maar buitenwettelijk begunstigend beleid.
6.3.
Het college heeft terecht vastgesteld dat verzoekster niet voldoet aan de bindingseis omdat zij niet direct voorafgaand aan de aanvraag twee jaar woonachtig is geweest in Den Haag met een inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP). In die zin is het besluit in overeenstemming met het beleid van het college. De voorzieningenrechter onthoudt zich, in het kader van deze spoedprocedure, expliciet van een voorlopige rechtmatigheidsbeoordeling over de vraag of dit beleid van het college op zichzelf rechtmatig is en in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 mei 2025. [1] Dit vraagstuk moet aan de orde komen in een eventuele bodemprocedure.
6.4.
Het college heeft bij de beoordeling van de vraag of verzoekster in aanmerking komt voor noodopvang niet kenbaar het belang meegewogen van [minderjarige]. Het gaat hier om een ander toetsingskader dan in de onder 3.1. en 3.2. genoemde Wmo-zaak. Dat betekent dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Het bezwaar heeft daarom kans van slagen.
6.5.
De voorzieningenrechter zal nu een belangenafweging maken. Het belang van het college is dat de schaarse noodopvang volgens de regels wordt verdeeld. Het belang van verzoekster is dat zij met [minderjarige] niet op straat belanden. Gelet met name op het belang van [minderjarige] valt de belangenafweging op dit moment in het voordeel van verzoekster en [minderjarige] uit. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter beveelt het college om voor noodopvang te zorgen voor verzoekster en haar minderjarige dochter tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Deze verplichting geldt uitsluitend voor zover niet op andere wijze in opvang kan worden voorzien. Als verzoekster in haar eigen kring (weer) een mogelijkheid tot opvang krijgt aangeboden, moet zij die aannemen.
7. Omdat het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, krijgt verzoekster een vergoeding voor de proceskosten. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert in dit geval 2 punten op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,-, bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.868,-.
8. De voorzieningenrechter wijst er op dat het college het door verzoekster betaalde griffierecht dient te vergoeden van € 55,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • beveelt het college om voor (nood)opvang te zorgen voor verzoekster en haar minderjarige dochter tot zes weken na de beslissing op bezwaar, voor zover verzoekster en haar dochter niet in eigen kring opvang krijgen aangeboden;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 55,- aan verzoekster moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter

De griffier is buiten staat te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de CRvB van 15 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2025:700.