Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9957

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
NL 26.16398
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 10 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing EU-verblijfsdocument en schorsing uitzetting

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een EU-verblijfsdocument en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek buiten zitting en constateert dat verweerder geen verweerschrift heeft ingediend, wat duidt op geen verzet tegen het verzoek.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van onverwijlde spoed omdat verzoekster anders haar sociale rechten verliest, aangezien zij afhankelijk is van een uitkering en verblijft in een gemeentelijke opvangvoorziening. Tevens wordt het verzoek om vrijstelling van griffierecht toegekend.

De voorlopige voorziening wordt toegewezen, het bestreden besluit geschorst en verzoekster mag niet worden uitgezet tot vier weken na de beslissing in de hoofdzaak. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, het bestreden besluit geschorst en uitzetting van verzoekster opgeschort tot vier weken na beslissing in de hoofdzaak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16398

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.J. van der Woude),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 12 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag om afgifte van een EU-verblijfsdocument ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft beroep (NL26.16397) ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft verder de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van de voorzieningenrechter om een verweerschrift in te dienen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. Van de indiener van een verzoek om een voorlopige voorziening wordt griffierecht geheven. Verzoekster heeft het verzoek gedaan om hiervan te worden vrijgesteld wegens betalingsonmacht. Nadat dit verzoek is afgewezen vanwege het niet tijdig aanleveren van de gevraagde gegevens over haar inkomen en vermogen, heeft verzoekster een herhaald verzoek gedaan dat alsnog is voorzien van deze gegevens. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe. Van verzoekster zal dan ook geen griffierecht worden geheven.
3. In het bestreden besluit is verweerder bij zijn standpunt gebleven dat verzoekster geen aanspraak maakt op een EU-verblijfsdocument vanwege alleenstaand verzorgend ouderschap van een Nederlands minderjarig kind. Verweerder twijfelt namelijk aan de juistheid van de Nederlandse nationaliteit van de kinderen van verzoekster. Verzoekster voert aan dat zij in het beroep waarop dit verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft onderbouwt dat het Nederlanderschap van haar kinderen niet kan worden aangetast, zodat dit beroep een redelijke kans van slagen heeft.
4. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om met voorrang op het verzoek om een voorlopige voorziening te beslissen, omdat zij zonder toewijzing van het verzoek gelet op artikel 10 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 haar sociale rechten zal verliezen. Verzoekster heeft onderbouwd dat zij afhankelijk is van een uitkering en dat zij verblijft in een gemeentelijke opvangvoorziening. De vereiste onverwijlde spoed is hiermee gegeven.
5. Verweerder heeft ondanks het verzoek daartoe van de voorzieningenrechter geen verweerschrift ingediend. Hieruit maakt de voorzieningenrechter op dat verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal dan ook op de hierna te melden wijze het verzoek als kennelijk gegrond toewijzen.
6. In de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
 schorst het bestreden besluit van 12 maart 2026 en bepaalt dat verzoekster niet mag worden uitgezet tot vier weken nadat op haar beroep (NL26.16397) is beslist;
 veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten ter hoogte van € 934 (negenhonderdvierendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.