Eiser, een Somalische asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen. De rechtbank beoordeelde het beroep en concludeerde dat de afwijzing terecht was. Eiser stelde dat hij vanwege discriminatie en wraakacties na een moord door zijn broer bescherming nodig had.
De rechtbank oordeelde dat het eerste asielmotief, zijn identiteit en herkomst, geloofwaardig was, maar dat de motieven over discriminatie en problemen door wraak niet overtuigend waren. De verklaringen van eiser waren tegenstrijdig en onvoldoende onderbouwd, met name over zijn werkzaamheden, mishandelingen en de periode na de dood van zijn vader.
Daarnaast werd zijn late asielaanvraag niet verschoonbaar geacht. De rechtbank vond dat de minister de geloofwaardigheid terecht in twijfel trok en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij ernstig werd beperkt in zijn maatschappelijke functioneren door discriminatie. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.