ECLI:NL:RBDHA:2026:9931

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
NL25.29001 en NL25.29005
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L.M. Steinebach - de Wit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvragen wegens internationale bescherming in Spanje

Verzoekers hebben asielaanvragen ingediend die door de minister van Asiel en Migratie niet-ontvankelijk zijn verklaard omdat zij in Spanje internationale bescherming genieten. Verzoekers betwisten deze beschermingsstatus en hebben beroep ingesteld en voorlopige voorzieningen gevraagd.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken om voorlopige voorziening op 18 maart 2026 behandeld en wijst deze af omdat de bodemzaken inmiddels zijn behandeld en een voorlopige voorziening niet langer nodig is. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht mocht uitgaan van de internationale beschermingsstatus in Spanje, maar dat in de besluitvorming onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van het minderjarige kind.

Hoewel de verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter de minister tot betaling van proceskosten aan verzoekers, vastgesteld op € 934,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen, minister veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.29001 en NL25.29005

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[verzoeker 1], mede namens haar minderjarige zoon [verzoeker 2],

v-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2],
en [verzoeker 3],
v-nummer: [V-nummer 3]
samen genoemd verzoekers,
(gemachtigde: mr. J-A. Nijland),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorzieningen gaat over de
niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen van verzoekers. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. Zij hebben daartegen ook beroep ingesteld.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoekers hebben aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met de bestreden besluiten van 25 juni 2025 deze aanvragen in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken, samen met de behandeling van de zaken NL25.29000 en NL25.29004, op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers, [naam] als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummers NL25.29000 en NL25.29004, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op de beroepen. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om die reden af.
3.1.
Gelet op de uitkomst van de bodemzaken veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De voorzieningenrechter merkt de beide verzoeken aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 934,00 aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Timmerman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.