Eiser, een Somalische asielzoeker, diende op 20 mei 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag op 13 mei 2025 af, waarbij werd aangenomen dat de problemen met Al-Shabaab slechts deels geloofwaardig waren en dat Mogadishu als binnenlands beschermingsalternatief kon worden beschouwd.
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet geloofwaardig zou zijn dat eiser op een dodenlijst van Al-Shabaab staat. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij dit ook zelf van Al-Shabaab heeft vernomen tijdens zijn gevangenschap, een verklaring die de minister niet heeft betrokken in haar besluitvorming.
Daarnaast heeft de minister onvoldoende onderbouwd waarom van eiser verwacht kan worden dat hij zich in Mogadishu kan vestigen. De aanwezigheid van een verre achterneef wordt niet als voldoende grootfamilie beschouwd en er is geen onderzoek gedaan naar de daadwerkelijke hulp die deze achterneef kan bieden.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen waarin deze overwegingen worden betrokken. Tevens worden de proceskosten van eiser aan de minister opgelegd.