ECLI:NL:RBDHA:2026:993

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL25.22983
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000paragraaf C2/3.4 Vreemdelingencirculaire 2000paragraaf C7/30.5 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering geloofwaardigheid en binnenlands beschermingsalternatief

Eiser, een Somalische asielzoeker, diende op 20 mei 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag op 13 mei 2025 af, waarbij werd aangenomen dat de problemen met Al-Shabaab slechts deels geloofwaardig waren en dat Mogadishu als binnenlands beschermingsalternatief kon worden beschouwd.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet geloofwaardig zou zijn dat eiser op een dodenlijst van Al-Shabaab staat. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij dit ook zelf van Al-Shabaab heeft vernomen tijdens zijn gevangenschap, een verklaring die de minister niet heeft betrokken in haar besluitvorming.

Daarnaast heeft de minister onvoldoende onderbouwd waarom van eiser verwacht kan worden dat hij zich in Mogadishu kan vestigen. De aanwezigheid van een verre achterneef wordt niet als voldoende grootfamilie beschouwd en er is geen onderzoek gedaan naar de daadwerkelijke hulp die deze achterneef kan bieden.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen waarin deze overwegingen worden betrokken. Tevens worden de proceskosten van eiser aan de minister opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22983

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E.A. Welling),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft namelijk onvoldoende gemotiveerd waarom de problemen van eiser met Al-Shabaab slechts deels geloofwaardig zijn. In het verlengde daarvan heeft de minister ook onvoldoende gemotiveerd waarom aan eiser Mogadishu als binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen. De minister heeft terecht gesteld dat in Mogadishu sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 20 mei 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 mei 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst omdat de gemachtigde van eiser de dag voor de zitting, laat in de middag, nieuwe (omvangrijke) stukken aan het dossier heeft toegevoegd. Zowel de rechtbank als de gemachtigde van de minister hadden hiervan onvoldoende kennis kunnen nemen. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst omdat zij de stukken wel bij de beoordeling van de zaak wil betrekken.
2.3.
De rechtbank heeft vervolgens het beroep op 26 september 2025 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1990 en heeft de Somalische nationaliteit. De oudste zoon van eiser en eiser zelf zijn benaderd door Al-Shabaab om zich bij hen aan te sluiten. Zij wilden dit niet en eiser heeft voor zijn zoon een schuilplek geregeld zodat hij niet zou worden meegenomen. Vervolgens is Al-Shabaab teruggekomen en hebben zij eiser mishandeld, omdat de zoon van eiser niet aanwezig was. Al-Shabaab heeft eiser daarna enkele dagen vastgehouden, waarna hij is bevrijd. Daarna heeft eiser besloten Somalië te verlaten. Bij terugkeer vreest eiser dat hij gedood zal worden door Al-Shabaab, omdat hij op de dodenlijst van Al-Shabaab staat.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen met Al-Shabaab.
De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig. De problemen met Al-Shabaab acht de minister deels geloofwaardig. De minister acht daarbij geloofwaardig dat eiser door Al-Shabaab is benaderd, maar niet geloofwaardig dat hij op een dodenlijst staat. De minister concludeert dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling en, ondanks dat het tweede asielmotief deels geloofwaardig is, ook geen reëel risico op ernstige schade loopt. Er is volgens de minister namelijk sprake van een binnenlands beschermingsalternatief.
Mocht de minister de problemen van eiser met Al-Shabaab deels ongeloofwaardig achten?
5. Eiser betoogt dat de minister de problemen met Al-Shabaab volledig geloofwaardig had moeten achten. Hij heeft namelijk zelf verklaard dat hij op een dodenlijst staat.
5.1.
Tijdens de zitting is gebleken dat de minister in het kader van het tweede asielmotief geloofwaardig acht dat eiser eerder problemen heeft gehad met Al-Shabaab en dat zij hem hebben benaderd. De minister acht echter niet geloofwaardig dat eiser op een dodenlijst staat, omdat dit enkel een vermoeden is en eiser dit gebaseerd heeft op vage en indirecte informatie.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom niet geloofwaardig is dat eiser op de dodenlijst staat. Volgens de minister heeft eiser enkel een vermoeden dat hij op de dodenlijst staat, en is dit vermoeden enkel gebaseerd op vage en indirecte informatie. Eiser zou van zijn neef, die het van een stamhoofd heeft gehoord, vernomen hebben dat eiser op de dodenlijst staat. De minister stelt daarbij echter ten onrechte dat eiser geen meer concrete informatie naar voren heeft gebracht. Eiser heeft namelijk in het nader gehoor verklaard dat hij ook zelf van Al-Shabaab heeft gehoord dat hij op de dodenlijst staat, toen hij door hen werd vastgehouden. Op deze verklaring is de minister niet ingegaan in de besluitvorming en ook tijdens de zitting heeft de minister hierover geen standpunt ingenomen. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd.
Mocht de minister aan eiser Mogadishu als binnenlands beschermingsalternatief tegenwerpen?
6. Eiser betoogt dat de minister Mogadishu niet als binnenlands beschermingsalternatief kan tegenwerpen, omdat eiser wel degelijk risico op ernstige schade loopt. Naast dat eiser onder de verhoogde aandacht van Al-Shabaab staat, omdat hij op de dodenlijst staat en arts is, waarmee hij nuttig is voor Al-Shabaab, heeft de minister ook onvoldoende gemotiveerd dat van eiser verwacht kan worden dat hij zich in Mogadishu in het openbare leven zou begeven. Eiser heeft namelijk aangegeven dat hij bij terugkeer weer enkel ondergedoken zou kunnen leven.
6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat aan eiser een binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen. Eiser loopt namelijk geen risico op ernstige schade. Dat eiser onder bijzondere aandacht van Al-Shabaab staat vanwege zijn baan, volgt de minister namelijk niet omdat eiser dit niet nader heeft toegelicht. Daarbij komt dat niet geloofwaardig is geacht dat eiser op de dodenlijst zou staan. Daarnaast behoort eiser tot een meerderheidsclan, wat ook als vereiste mag worden meegenomen voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief. Verder mag van eiser wel verwacht worden dat hij zich in Mogadishu vestigt omdat hij daar een aantal maanden heeft verbleven, daar een achterneef heeft en volgens de minister niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer weer enkel ondergedoken zou moeten leven in Mogadishu. Omdat niet wordt gevolgd dat eiser op de dodenlijst staat, is het niet aannemelijk dat Al-Shabaab naar hem op zoek is. Daarmee is, volgens de minister, voldaan aan de voorwaarden van paragraaf C2/3.4 en C7/30.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
6.2.
De beroepsgrond slaagt. Hierbij wijst de rechtbank er allereerst op dat het standpunt van de minister dat eiser niet op de dodenlijst staat, een dragend argument is voor het standpunt van de minister dat aan eiser een binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen omdat hij geen risico op ernstige schade loopt in Mogadishu. De minister heeft namelijk gesteld dat eiser niet onder de verhoogde aandacht van Al-Shabaab staat omdat niet geloofwaardig is dat hij op de dodenlijst staat. Gelet op dat wat onder 5.2 is geoordeeld, inhoudende dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet op de dodenlijst zou staan, moet de minister ook opnieuw motiveren dat eiser geen risico op ernstige schade loopt in Mogadishu.
6.3.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat van eiser verwacht kan worden dat hij zich opnieuw kan vestigen in Mogadishu. In paragraaf C7/30.5.2. van de Vc 2000 staat namelijk dat bij een binnenlands beschermingsalternatief betrokken moet worden of grootfamilie aanwezig is. Eiser heeft verklaard dat een verre achterneef van hem in Mogadishu is, maar naar het oordeel van de rechtbank valt een verre achterneef niet onder ‘grootfamilie.’ Met grootfamilie wordt namelijk gedoeld op gezinsleden, en andere naaste familie, zoals bijvoorbeeld opa’s, oma’s, tantes en ooms. Het standpunt van de minister dat hiermee bedoeld wordt dat er iemand aanwezig moet zijn die aan eiser hulp kan bieden en dat de verre achterneef daarom onder ‘grootfamilie’ valt, volgt de rechtbank niet. Dit volgt namelijk niet uit het beleid. Los daarvan heeft de minister ook niet nader onderzocht of deze verre achterneef daadwerkelijk hulp heeft geboden aan eiser en bij terugkeer hulp kan bieden.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op voorgaande heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom niet geloofwaardig is dat eiser op een dodenlijst staat en omdat dit argument dragend is voor het standpunt dat aan eiser Mogadishu als binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen, heeft de minister dat standpunt ook onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat het beroep van eiser gegrond is. De rechtbank zal reeds daarom niet ingaan op wat eiser verder aan beroepsgronden heeft aangevoerd. Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister dient een nieuw besluit te nemen waarin hij dat wat in deze uitspraak is geoordeeld, betrekt. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de nadere zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr.K.H.M.M. Otten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.