ECLI:NL:RBDHA:2026:990

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
09-183497-23
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugdstrafrecht: Medeplegen van oplichtingen en verduistering door verdachte

Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een jeugdstrafzaak tegen een verdachte, geboren in 2005, die beschuldigd werd van meerdere vormen van oplichting en verduistering. De zaak betreft onder andere bankhelpdeskfraude, Whatsappfraude en Marktplaatsfraude, waarbij de verdachte zich voordeed als een ander en slachtoffers om geld vroeg. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte in de periode van 10 februari 2021 tot en met 7 maart 2023, samen met anderen, meermalen oplichtingen heeft gepleegd in verschillende plaatsen in Nederland. De verdachte heeft ook niet-openbare gegevens voorhanden gehad, waarvan hij wist of had moeten vermoeden dat deze door misdrijf waren verkregen. Tijdens de zitting op 8 januari 2026 heeft de verdachte bekend, maar heeft hij ook vrijspraak bepleit voor enkele feiten. De rechtbank heeft de verdachte uiteindelijk veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank heeft ook schadevergoedingen toegewezen aan de benadeelde partijen, waaronder bedragen voor materiële schade en wettelijke rente. De verdachte is vrijgesproken van een deel van de tenlastelegging, maar de bewezenverklaring van de overige feiten is als wettig en overtuigend beschouwd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-183497-23 en 09-092792-24 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 22 januari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] ,

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 8 januari 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. A.M.A. Ramdharie-Beckers en de raadsvrouw van de verdachte is mr. S.M. Hoogenraad te Zoetermeer. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Kort gezegd wordt de verdachte verweten:
Inzake parketnummer 09-183497-23, hierna dagvaarding I
Het medeplegen van meerdere oplichtingen in de periode van 10 februari 2021 tot en met 7 maart 2023 te Hillegom, Veldhoven, Julianadorp, Bodegraven, Haarlem, Voorschoten, Heemstede;
Het verwerven of voorhanden hebben van niet-openbare gegevens op 15 mei 2023 te Hillegom;
Een poging tot oplichting op 20 mei 2022 te Hillegom en/of Deventer.
Inzake parketnummer 09-092792-24, hierna dagvaarding II
1. (primair) de diefstal van een telefoon op 3 oktober 2023 te leiden
Dit feit is subsidiair ten laste gelegd als verduistering;
2. Een oplichting op 5 oktober 2023 te Hillegom;
3. De verduistering van een telefoon op 5 oktober 2023 te Hillegom.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte partiële vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding I met parketnummer 09-183497-23 onder 1 ten laste gelegde feit, voor zover de tenlastelegging ziet op de oplichting van aangever [naam 1] en heeft zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit, voor zover dit ziet op het bestanddeel verwerven. Voor het overige heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Ten aanzien van dagvaarding II met parketnummer 09-092792-24 onder 1 primair heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Voor zover dit ziet op de bij dagvaarding II onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op specifieke (bewijs)verweren van de raadsvrouw zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.
3.3
Vrijspraak dagvaarding I feit 3
De verdachte wordt ervan verdacht dat hij op of omstreeks 20 mei 2022 heeft geprobeerd aangeefster [naam 2] op te lichten.
Uit de aangifte van de aangeefster leidt de rechtbank af dat de aangeefster via Whatsapp door een persoon is benaderd die zich voordeed als één van haar kinderen en haar heeft gevraagd een geldbedrag over te maken naar een rekeningnummer op naam van [valse naam 1] . De persoon die contact heeft opgenomen met de aangeefster maakte gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Dit telefoonnummer is op basis van het dossier niet te herleiden naar de verdachte. Tijdens het politieverhoor op 16 mei 2023 is aan de verdachte het gesprek getoond tussen aangeefster en de persoon die haar via Whatsapp vroeg om geld over te maken. De verdachte heeft tijdens het verhoor verklaard dat hij denkt dat hij de persoon is geweest die aangeefster heeft benaderd, omdat de naam [valse naam 1] is gebruikt en hij voor andere oplichtingen via Whatsapp ook het bankrekeningnummer van [valse naam 1] gebruikte. De enkele omstandigheid dat de bij de poging tot oplichting van aangeefster het bankrekeningnummer is gebruikt van [valse naam 1] en de verdachte daarom denkt dat hij aangeefster heeft benaderd, is onvoldoende om zijn betrokkenheid bij dit feit vast te stellen. Nu uit het dossier geen andere aanknopingspunten naar voren komen dat de verdachte de aangeefster via Whatsapp heeft geprobeerd op te lichten, is onvoldoende wettig bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen.
De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde feit.
3.4
Gebruikte bewijsmiddelen dagvaarding I feiten 1 en 2
De rechtbank zal voor de bij dagvaarding I onder 1 (ten aanzien van aangevers [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] ) en 2 ten laste gelegde feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer
PL1500-2023075212, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 359, digitaal pagina 1 t/m 503).
Feit 1:
1. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte, opgemaakt op 15 mei 2023 (p. 105-117);
2. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte, opgemaakt op 16 mei 2023 (p. 118-124);
3. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 6] , opgemaakt op 21 december 2022 (p. 13-15);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 februari 2023 (p. 16-34);
5. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 5] , opgemaakt op 24 november 2022 (p. 235-238);
6. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 3] , opgemaakt op 8 juni 2022 (p. 259-265);
7. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 4] , opgemaakt op 1 december 2022 (p. 287-291);
8. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 7] , opgemaakt op 10 maart 2023 (p. 326-329);
9. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 januari 2023 (p. 239).
Feit 2:
10. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 8 januari 2026;
11. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 juni 2023 (p. 128-232).
3.5
Gebruikte bewijsmiddelen dagvaarding I feit 1 ten aanzien van aangever [naam 1]
De rechtbank komt ook tot een bewezenverklaring van het bij dagvaarding I onder 1 ten
laste gelegde ten aanzien van aangever [naam 1] . De rechtbank heeft hierna de
wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en
omstandigheden opgenomen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer
PL1500-2023075212, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 359, digitaal pagina 1 t/m 503).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] , opgemaakt op 17 februari 2021 (p. 295-299);
Plaats delict: Veldhoven. Pleegdatum/tijd: Op 10 februari 2021.
Via marktplaats een Playstation Plus kaart willen kopen. Verkoper stuurde een tikkie. Die is betaald, alleen verkoper geeft aan niks ontvangen te hebben. Ik laat
het via schermafbeeldingen het bewijs zijn, maar hij blijft beweren dat hij niks heeft. Waar bent u opgelicht?: Marktplaats.nl. Advertentietitel:: [titel] .
https: [https]
‘Na de betaling stuur ik de code per direct naar je toe.’
Verkoper.
Telefoon: [telefoonnummer 2] .
Voornamen: [valse naam 2] .
Plaatsnaam: [plaats] .
Bankrekeningnummer andere partij: [rekeningnummer 1] .
Naam rekeninghouder andere partij: [valse naam 2] .
Wat is het bedrag of de waarde van de betaling?: 30,00.
2. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 15 mei 2023, voor zover inhoudende (p. 105-117):
Die WhatsApp fraudes en marktplaatsfraudes heb ik ook zelf gedaan.
V: Wie gebruiken je telefoon allemaal?
A: Ik alleen.
V: In de WhatsApp stond een telefoonnummer: [telefoonnummer 2] . Van wie is dit telefoonnummer?
A: Weet ik niet.
O: verbalisant schrijft het nummer op een blaadje en toont het aan de verdachte.
A: Ja dat herken ik. Dat is van mij.
3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 16 mei 2023, voor zover inhoudende (p. 118-124):
V: Er is aangifte gedaan van marktplaats oplichting op 10-02-2021. Er is een PlayStation te koop aangeboden waarbij werd verzocht de betaling te doen op
het rekeningnummer van [valse naam 2] . Jouw telefoonnummer, [telefoonnummer 2] , is hierbij gebruikt. Ook hierbij was het schadebedrag 157 euro.
O: Opmerking verbalisant: verbalisant toont chat uit de bijlage van bovenstaande
aangifte, verdachte leest de chat.
V: Wat kun je hierover verklaren?
A: Ja, die chats dat ben ik geweest.
3.6
Bewijsoverweging dagvaarding I feit 1 t.a.v. aangever [naam 1]
De verdachte wordt verdacht van oplichting van aangever [naam 1] op 10 februari 2021.
De aangever heeft op 10 februari 2021 via een Marktplaatsadvertentie een Playstation Plus kaart gekocht. De verkoper heeft de aangever een betaalverzoek verstuurd en aangegeven dat hij na de betaling het gekochte goed naar de aangever zou toesturen. Na betaling van het betaalverzoek door aangever gaf de verkoper aan geen geld te hebben ontvangen. De aangever heeft het betaalde goed niet ontvangen van de verkoper.
De verkoper gebruikte op Marktplaats het telefoonnummer [telefoonnummer 2] en deed zich voor als ‘ [valse naam 2] ’. De rechtbank stelt vast dat de verdachte tijdens het verhoor bij de politie heeft aangegeven dat het klopt dat dit zijn telefoonnummer is en dat hij als enige zijn telefoon gebruikte. Ter zitting heeft de verdachte nogmaals bevestigd dat dit nummer zijn telefoonnummer was, maar dat hij denkt dat iemand anders zijn telefoonnummer heeft gebruikt en de oplichting heeft gepleegd. Door wie en wanneer zijn telefoon dan zou zijn gebruikt, weet de verdachte niet. Gelet daarop acht de rechtbank deze enkele suggestie van de verdachte ter zitting onaannemelijk en deze zal daarom terzijde worden geschoven. Bij de politie is immers het gesprek tussen de verkoper en aangever op Marktplaats aan de verdachte getoond en toen heeft de verdachte aangegeven dat hij dit was. Ook heeft de verdachte bij de politie bekend dat hij onder andere de marktplaatsfraudes zelf heeft gedaan. Daarbij komt dat in de advertentie bij de plaatsnaam van de verkoper [plaats] stond weergegeven en de verdachte hier woont.
Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de ten laste gelegde oplichting van aangever [naam 1] wettig en overtuigend is bewezen.
3.7
Gebruikte bewijsmiddelen dagvaarding II feiten 1 subsidiair, 2 en 3
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de bij dagvaarding II onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten en zal met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer
PL1500-2023075212, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 359, digitaal pagina 1 t/m 503).
Feit 1 subsidiair
1. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 8] , opgemaakt op 5 oktober 2023 (p. 9-12);
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 oktober 2023 (p. 18-20);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 oktober 2023 (p. 49-51);
Feiten 2 en 3
4. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 8 januari 2026;
5. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 9] , opgemaakt op 5 oktober 2023 (p. 32-46).
3.8
Bewijsoverweging dagvaarding II feit 1 primair
De verdachte wordt er primair van verdacht dat hij op 3 oktober 2023 de telefoon van aangever [naam 8] heeft gestolen. Subsidiair wordt de verdachte ervan verdacht dat hij de telefoon van de aangever heeft verduisterd.
Op 3 oktober 2023 is de aangever naar het ziekenhuis gebracht, omdat hij te veel had gedronken. In het ziekenhuis kwam hij erachter dat zijn telefoon, een Iphone 14, was verdwenen. Volgens een vriend van de aangever zou de verdachte deze uit zijn jaszak hebben gepakt. De verdachte heeft verklaard dat de telefoon van de aangever uit zijn zak was gevallen en dat de aangever aan de verdachte heeft gevraagd om deze te bewaren.
Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de telefoon van de aangever al dan niet uit zijn zak is gevallen. De rechtbank gaat er vanuit dat de verdachte de telefoon van de aangever op enig moment - voordat deze naar het ziekenhuis werd vervoerd - heeft gepakt en onder zich heeft gehouden. Dat de verdachte niet de intentie had om de telefoon terug te geven aan de aangever volgt uit het feit dat de politie de telefoon op 5 oktober 2023 bij de verdachte heeft aangetroffen en de verdachte in de tussentijd de telefoon niet heeft teruggegeven aan de aangever. Daar komt bij dat de verdachte op 4 oktober 2023 met twee anderen is gecontroleerd door de politie en één van de personen waar de verdachte op dat moment mee was heeft verklaard dat de verdachte die dag in Haarlem aan meerdere personen heeft gevraagd of zij een Iphone 14 wilden kopen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende vaststaat dat de verdachte de telefoon van de aangever wilde houden. Op basis van het dossier kan echter niet worden vastgesteld op welk moment de verdachte deze beslissing heeft genomen.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de bij dagvaarding II onder 1 primair ten laste gelegde diefstal niet bewezen kan worden verklaard. Nu de verdachte de telefoon onder zich heeft gehad en de intentie heeft gehad om deze te houden, acht de rechtbank de onder 1 subsidiair ten laste gelegde verduistering dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3.9
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I - 09-183497-23
1
hij in de periode van 10 februari 2021 tot en met 7 maart 2023 te Hillegom, Veldhoven, Julianadorp, Bodegraven, Haarlem, Voorschoten, Heemstede, althans in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, meermalen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de volgende personen heeft bewogen tot de afgifte van de volgende geldbedragen:
- [naam 1] , tot de afgifte van € 30,- en
- [naam 3] , tot de afgifte van € 2.000,- en
- [naam 4] , tot de afgifte van € 157,- en
- [naam 5] , tot de afgifte van € 6.785,- en
- [naam 6] , tot de afgifte van € 2.000,- en
- [naam 7] , tot de afgifte van € 2.200,-
door
(t.a.v. die [naam 1] en [naam 4] )
- gebruik te maken van valse namen, te weten [valse naam 1] en [valse naam 2] en
- met gebruikmaking van deze namen op het internet, te weten op de website [website] , advertenties te plaatsen waarin een Playstation Plus kaart en een Nintendo Switch te koop werden aangeboden,
- met voornoemde personen contact te onderhouden en overleg te voeren en informatie te verschaffen over de wijze van en/of het tijdstip van levering en betaling van die aangeboden Playstation Plus kaart en Nintendo Switch en
- daarbij toe te zeggen dat deze goederen na ontvangst van betaling zouden worden toegezonden en geleverd en
- daarbij een betaalverzoek te versturen waarbij (een) bankrekening, te weten [rekeningnummer 1] t.n.v. [valse naam 2] of [rekeningnummer 2] t.n.v. [verdachte] is gebruikt, waarop
hette betalen aankoopbedrag (inclusief verzendkosten) kon worden overgeboekt en/of gestort en
- daarbij zich voor te doen als eigenaar/bezitter of als betrouwbare verkoper van die Playstation Plus kaart en Nintendo Switch en
- de indruk en/of het vertrouwen te wekken bij voornoemde personen dat hij, verdachte, de te koop aangeboden goederen na betaling daadwerkelijk zou toezenden/leveren;
(t.a.v. die [naam 3] en [naam 6] )
- ( telkens) gebruik te maken van een valse hoedanigheid, te weten door zich via telefoonnummer [telefoonnummer 2] op WhatsApp uit te geven als de zwager van die [naam 3] en dochter van die [naam 6] en
- via WhatsApp een gesprek te starten met -zakelijk weergegeven- de volgende inhoud:
• dat hij/zij een nieuw telefoonnummer heeft;
• of hij geld kan lenen en 2000 nodig heeft;
• dat er met spoed een openstaande rekening betaald moest worden;
• dat hij/zij verzocht om bovengenoemd(e) geldbedrag(en) over te maken op rekeningnummer(s) [rekeningnummer 3] of [rekeningnummer 4] ;
(t.a.v. [naam 5] en [naam 7] )
- gebruik te maken van een valse hoedanigheid, te weten een medewerker van de
ING-bank of ABN-Amro fraudehelpdesk of [valse naam 3] of [valse naam 4] en (vervolgens)
- telefonisch contact op te nemen met die [naam 5] en [naam 7] en zich voor te doen als bankmedewerkers en te zeggen dat:
• die [naam 5] een virus op zijn mobiele telefoon had, waardoor zijn bankgegevens in gevaar waren;
• er gepoogd was van de rekening van die [naam 7] 1500 euro over te boeken naar een Duitse bank;
• zij hun pincode moesten inspreken na de pieptoon;
• een medewerker zo snel mogelijk langs zou komen met een verificatiecode;
- zich (vervolgens) naar de woning van voornoemde personen te begeven en zich uit te geven als medewerker van de ING-bank of [valse naam 4] en hun bankpas(sen) mee te nemen;
- voornoemde geldbedragen te pinnen met deze bankpas(sen) en pincode(s);
2
hij op 15 mei 2023 te Hillegom, niet-openbare gegevens, te weten 2 bestanden met leadslijsten genaamd “ [bestandsnaam 1] ” en “ [bestandsnaam 2] ”, bevattende grote hoeveelheden persoonlijke gegevens en rekeningnummers van in totaal circa 10.000 derden voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, ten tijde van het voorhanden krijgen van deze gegevens wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf waren verkregen.
Dagvaarding II - 09-092792-24
1
subsidiair
hij op 3 oktober 2023, te Leiden, opzettelijk een telefoon (Iphone), toebehorende aan [naam 8] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als houder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2
hij op 5 oktober 2023, te Hillegom, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid [naam 10] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten 100 euro, door
- met de telefoon van [naam 9] berichten te sturen naar [naam 10] ,
- waardoor [naam 10] in de veronderstelling was contact te hebben met zijn zoon
[naam 9] ,
- en daarbij een betaalverzoek te sturen, en om geld te vragen;
3
hij op 5 oktober 2023 te Hillegom, opzettelijk een telefoon (Iphone), toebehorende aan [naam 9] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als houder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straffen

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - rekening houdend met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en met een overschrijding van de redelijke termijn - wordt veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat er bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met de persoonlijke situatie van verdachte zoals deze destijds was. Toentertijd ging het niet goed met de verdachte en had hij te kampen met heftige psychoses. Inmiddels gebruikt hij hiervoor nog steeds medicatie en heeft hij wekelijks contact met de GGZ. Een forse werkstraf is te belastend voor de verdachte. Gelet daarop wordt verzocht een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen en het op te leggen aantal uren te matigen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende vormen van oplichting, bestaande uit Marktplaatsfraude, Whatsappfraude en bankhelpdeskfraude. Door zich (telefonisch) voor te doen als bankmedewerkers hebben de verdachte en zijn medeverdachten het vertrouwen van de slachtoffers gewonnen en hebben zij vervolgens op slinkse wijze bankpassen, pincodes en geldbedragen bemachtigd. De verdachte heeft samen met de medeverdachten daarmee willens en wetens gebruik gemaakt van het opgewekte vertrouwen door de slachtoffers bang te maken met leugens, door bij hun woning te verschijnen en ook bij hen naar binnen te gaan. Met de op die manier bemachtigde bankpassen is vervolgens geld van de bankrekeningen van de slachtoffers opgenomen.
Daarnaast heeft de verdachte via Whatsapp slachtoffers opgelicht door zich voor te doen als een familielid van hen en uit dien hoofde te vragen om geld over te maken, omdat zij dat dringend nodig zouden hebben. De slachtoffers kregen een betaalverzoek van de verdachte en zij hebben vervolgens geld overgemaakt.
Ook heeft de verdachte slachtoffers opgelicht door op Marktplaats advertenties te plaatsen en na betaling door het slachtoffer het gekochte product niet te versturen.
Het is extra kwalijk dat er ook oudere mensen door de verdachte tot slachtoffer zijn gemaakt. De verdachte en zijn medeverdachten hebben zodoende gebruik gemaakt van de (grotere) kwetsbaarheid en afhankelijkheid van de oudere slachtoffers. Zij hebben de slachtoffers niet alleen financiële schade toegebracht, maar ook hun gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens ernstig geschaad. Door zijn handelen heeft de verdachte laten zien alleen oog te hebben voor zijn eigen belang, zonder oog te hebben voor de gevolgen van zijn gedrag op anderen.
Tevens heeft de verdachte twee grote bestanden voorhanden gehad met grote hoeveelheden persoonlijke gegevens van veel personen, waaronder rekeningnummers. Dit levert een grote inbreuk van de privacy van duizenden personen op. Dit soort bestanden worden overwegend gebruikt voor het plegen van oplichtingen.
Ook heeft de verdachte zich tweemaal schuldig gemaakt aan verduistering van een telefoon. De verdachte heeft hiermee aangetoond geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander. Een van de slachtoffers heeft zijn telefoon in vertrouwen aan de verdachte gegeven, zodat deze kon worden opgeladen. Vervolgens is de verdachte niet teruggekeerd met de telefoon en bleek een aantal uren later dat de verdachte de vader van het slachtoffer heeft bewogen om geld over te maken.
Bij al deze feiten lijkt de verdachte louter oog te hebben gehad voor zijn eigen financiële gewin.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 1 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor vuurwapenbezit en bedreiging. In 2024 is de verdachte in België veroordeeld voor fraude. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee. Daarnaast is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van GGZ Fivoor (hierna: de reclassering) van 18 december 2025 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. De risicofactoren worden gezien op het gebied van psychosociaal functioneren, middelengebruik en verslaving, sociaal netwerk en dagbesteding. De verdachte is gediagnosticeerd met een psychotische stoornis, geluxeerd door middelengebruik, waarbij er aanwijzingen zijn dat deze stoornis in combinatie met zijn middelengebruik heeft bijgedragen aan eerder delictgedrag. Positief is dat de verdachte op dit moment geen drugs gebruikt en medicatie krijgt voor zijn psychotische stoornis. Op het moment dat de verdachte weer middelen zou gebruiken of zou stoppen met zijn medicatie, is de verwachting dat het recidiverisico hoger uitvalt. Binnen het huidige reclasseringstoezicht houdt de verdachte zich aan de voorwaarden en afspraken en zijn er ten aanzien van de risicofactoren verschillende interventies ingezet. Deze lijken op dit moment voldoende aan te slaan. De verdachte heeft nu een beperkte vorm van dagbesteding via zijn coach, echter is hij niet altijd gemotiveerd om daadwerkelijk een baan of studie te zoeken om tot een volledig dagprogramma te komen. Hier zal de komende periode op worden ingezet. De afgelopen weken zijn de zorgen om het sociaal netwerk van de verdachte opgelopen, omdat hij weer optrekt met zijn voormalig negatief (crimineel) sociaal netwerk. De verdachte ziet hier onvoldoende de risico’s van in. Hoewel de verdachte weerbaarder lijkt tegen invloeden vanuit dit netwerk, is het de vraag in hoeverre hem dit lukt als de kaders minder streng worden. Nu de huidige situatie op dit moment stabiel is en het plan van aanpak dat is ingezet lijkt aan te slaan, wordt ingeschat dat het opleggen van een gevangenisstraf een negatief effect zal hebben. De reclassering ziet geen zwaarwegende negatieve effecten voor het opleggen van een taakstraf. Daarbij komt dat een taakstraf kan bijdragen aan een zinvolle daginvulling en mogelijk een extra opstap naar (betaald) werk. De huidige bijzondere voorwaarden die eerder zijn opgelegd, worden op dit moment toereikend geacht.
Toepassing van het jeugdstrafrecht in ASR zaken
De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd gedurende een langere periode waarin hij gedurende de langste periode minderjarig was en op een gegeven moment de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt. De verdachte heeft vervolgens gedurende de eerste maanden van zijn meerderjarige leeftijd een aantal strafbare feiten begaan. Gelet op de rapportage en de toelichting daarop ter zitting, het gegeven advies en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaak is die termijn van zestien maanden ruimschoots overschreden, gerekend vanaf de dag van de inverzekeringstelling (15 mei 2023). Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden, die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank zal hiermee in strafmatigende zin rekening mee houden bij de op te leggen straf.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt voor oplichting met een schadebedrag van meer dan € 150,- een taakstraf vanaf 40 uren vermeld. Voor verduistering is als uitgangspunt bij een schadebedrag van meer dan € 150,- euro een taakstraf vanaf 30 uren vermeld. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat de verdachte (met anderen) meerdere oplichtingen heeft gepleegd gedurende een periode van twee jaren. De verdachte heeft met zijn handelswijze misbruik gemaakt van de persoonlijke gegevens en kwetsbare positie van een ander, waaronder oudere personen. Hoewel gelet op de ernst van de feiten en het aan de slachtoffers toegebrachte leed een jeugddetentie gerechtvaardigd is, zal de rechtbank dit niet opleggen, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke situatie van de verdachte.
De rechtbank ziet wel aanleiding om een forse taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. De rechtbank overweegt daartoe dat het van belang is dat de verdachte de directe gevolgen van zijn handelen ondervindt door tijd te besteden aan het verrichten van onbetaalde arbeid. Gelet op de hoeveelheid oplichtingen, de gevolgen voor de slachtoffers en de lange periode waarin de verdachte de oplichtingen heeft gepleegd, zal de rechtbank een hogere taakstraf opleggen dan geëist door de officier van justitie. Nu de verdachte op dit moment geen (zinvolle) dagbesteding heeft, ziet de rechtbank geen beletsel in de op te leggen duur van de werkstraf. Alles overwegende acht de rechtbank in dit geval een werkstraf voor de duur van 120 uren, met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht (omgerekend 4 uren) passend en geboden.
7. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel [naam 7]
7.1
De vordering
[naam 7] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 2.200,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij vordert de verdachte hiertoe hoofdelijk te veroordelen. De vordering ziet op € 1.700,- aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de materiële schade concludeert de officier van justitie tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.700,-. De officier van justitie heeft daarbij betaling van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. Ten aanzien van de immateriële schade concludeert de officier van justitie tot niet-ontvankelijk verklaring, wegens onvoldoende onderbouwing.
7.3
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze post niet is onderbouwd. Ten aanzien van de materiële schade heeft de verdachte verklaard dat hij het niet het volledige bedrag van
€ 1.700,- heeft ontvangen, maar maximaal € 500,-. Gelet daarop wordt verzocht om de materiële schade toe te wijzen tot een bedrag van maximaal € 500,- en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag. Deze schade is ook onderbouwd met stukken. Gelet daarop zal de rechtbank het gevorderde bedrag aan materiële schade toewijzen.
Immateriële schade
Uit de toelichting bij de vordering blijkt dat de oplichting ervoor heeft gezorgd dat het vertrouwen van de benadeelde partij in andere mensen is geschaad en dat zij door de oplichting schaamtegevoelens ervaart. In de vordering ontbreekt echter een concrete onderbouwing voor de immateriële schade. Gelet daarop zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van haar vordering.
De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 maart 2023, omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid (twee of meer mededaders)
Omdat de verdachte het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 1.700,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 maart 2023 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [naam 7] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
8. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel [naam 4]
8.1
De vordering
[naam 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 156,95, bestaande uit materiële schade en te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
8.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.3
Het standpunt van de verdediging
Door de verdediging zijn geen opmerkingen naar voren gebracht ten aanzien van de vordering benadeelde partij.
8.4
Het oordeel van de rechtbank
De vordering is namens de verdachte niet betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag. De rechtbank zal de vordering daarom in zijn geheel toewijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 november 2022, omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 156,95,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2022 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [naam 4] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

9.De inbeslaggenomen voorwerpen

9.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert voorts dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen
(beslaglijst) onder 1 genummerde voorwerp (1 STK Telefoontoestel) zal worden verbeurdverklaard.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de in beslag genomen telefoon terug te geven aan de verdachte.
9.3
Het oordeel van de rechtbank
Op de telefoon van de verdachte zijn twee leadslijsten aangetroffen met grote hoeveelheden persoonlijke gegevens van derden. Voor het overige zijn er geen strafbare gegevens aangetroffen op de telefoon van de verdachte. Ook is uit het dossier niet af te leiden dat de telefoon die in beslag is genomen door de verdachte is gebruikt om de oplichtingen te plegen. Een telefoon bevat ontzettend veel (rechtmatige) bestanden en privégegevens van de gebruiker. De twee onrechtmatige leadslijsten die zijn aangetroffen op de telefoon van de verdachte maken een zodanig klein onderdeel uit van de totale hoeveelheid bestanden op de telefoon, dat het – mede gelet op de kostbaarheid van een telefoon – niet in verhouding staat om de telefoon verbeurd te verklaren. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de inbeslaggenomen telefoon.

10.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
36f, 47, 63, 77a, 77c, 77g, 77m, 77n, 139g, 321, 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I met parketnummer 09-183497-23 onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I met parketnummer 09-183497-23 onder 1 en 2 en het bij dagvaarding II met parketnummer
09-092792-24 onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.9 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
dagvaarding I met parketnummer 09-183497-23
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
niet-openbare gegevens voorhanden hebben, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze gegevens wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf zijn verkregen;
dagvaarding II met parketnummer 09-092792-24
ten aanzien van feit 1 subsidiair:
verduistering;
ten aanzien van feit 2:
oplichting;
ten aanzien van feit 3:
verduistering;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
120 (HONDERDTWINTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
60 (ZESTIG) DAGEN;
bepaalt dat de veroordeelde, ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie in plaats van vervangende hechtenis;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht (omgerekend 4 uren), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel [naam 7]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [naam 7] , een bedrag van € 1.700,- , bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 maart 2023 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.700,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel [naam 4]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [naam 4] , een bedrag van € 156,95, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 9 november 2022 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 156,95, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de inbeslaggenomen goederen
gelast de teruggave aan de rechthebbende van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten:
1. STK Telefoontoestel
(Omschrijving: PL1500-2022381951-G2954804, Apple);
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S. van der Harg, kinderrechter, voorzitter,
mr. W.G. de Boer, kinderrechter,
en mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.B.M.A. Roozen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 januari 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Dagvaarding I - 09-183497-23
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij in of omstreeks de periode van 10 februari 2021 tot en met 7 maart 2023 te
Hillegom, Veldhoven, Julianadorp, Bodegraven, Haarlem, Voorschoten, Heemstede,
althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door
listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
de volgende personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de
volgende geldbedragen:
- [naam 1] , tot de afgifte van € 30,- (p. 292 (digitaal 386) en/of
- [naam 3] , tot de afgifte van € 2.000,- (p. 259 (digitaal 353) en/of
- [naam 4] , tot de afgifte van € 157,- (p. 287 (digitaal 381) en/of
- [naam 5] , tot de afgifte van € 6.785,- (p. 235 (digitaal 329) en/of
- [naam 6] , tot de afgifte van € 2.000,- (p. 13 (digitaal 17) en/of
- [naam 7] , tot de afgifte van € 2.200,- (p. 326 (digitaal 420)
door
(t.a.v. die [naam 1] en [naam 4] )
- gebruik te maken van een of meer valse namen, te weten [valse naam 1] en
[valse naam 2] en/of (vervolgens)
- met gebruikmaking van deze namen op het internet, te weten op de website
[website] , een of meer advertenties te plaatsen waarin een Playstation
Plus kaart en een Nintendo Switch te koop werden aangeboden,
- met een of meer van voornoemde personen contact te onderhouden en/of
overleg te voeren en/of informatie te verschaffen over de wijze van en/of het tijdstip
van levering en/of betaling van die aangeboden Playstation Plus kaart en Nintendo
Switch en/of
- daarbij toe te zeggen dat deze goederen na ontvangst van betaling zouden worden
toegezonden en/of geleverd en/of
- daarbij een betaalverzoek te versturen waarbij (een) bankrekening(en), te weten
[rekeningnummer 1] t.n.v. [valse naam 2] en/of [rekeningnummer 2] t.n.v.
[verdachte] is/zijn gebruikt, waarop de te betalen aankoopbedragen (inclusief
verzendkosten) konden worden overgeboekt en/of gestort en over welke rekening
hij/zij, verdachte, de beschikking had en/of
- daarbij zich voor te doen als eigenaar/bezitter en/of als bonafide/betrouwbare
verkoper van die Playstation Plus kaart en Nintendo Switch en/of
- de indruk en/of het vertrouwen te wekken bij voornoemde personen dat hij/zij,
verdachte(n), de te koop aangeboden goederen na betaling daadwerkelijk zou
toezenden/leveren;
(t.a.v. die [naam 3] en [naam 6] )
- ( telkens) gebruik te maken van een valse hoedanigheid, te weten door zich
(valselijk) via telefoonnummer [telefoonnummer 2] op WhatsApp uit te geven als de zwager
van die [naam 3] en/of dochter van die [naam 6] en/of (vervolgens)
- via WhatsApp een gesprek te starten met -zakelijk weergegeven- de volgende
inhoud:
• dat hij/zij een nieuw telefoonnummer heeft;
• of hij geld kan lenen en 2000 nodig heeft;
• dat er met spoed een openstaande rekening betaald moest worden;
• dat hij/zij verzocht om bovengenoemd(e) geldbedrag(en) over te maken op
rekeningnummer(s) [rekeningnummer 3] en/of [rekeningnummer 4] ;
(t.a.v. [naam 5] en [naam 7] )
- gebruik te maken van een valse hoedanigheid, te weten een medewerker van de
ING-bank en/of ABN-Amro fraudehelpdesk en/of [valse naam 3] en/of [valse naam 4]
en/of (vervolgens)
- telefonisch contact op te nemen met die [naam 5] en [naam 7] en zich voor te
doen als (een) bankmedewerk(st)er(s) en/of te zeggen dat:
• die [naam 5] een virus op zijn mobiele telefoon had, waardoor zijn bankgegevens in
gevaar waren;
• er gepoogd was van de rekening van die [naam 7] 1500 euro over te boeken
naar een Duitse bank;
• zij hun pincode moesten inspreken na de pieptoon;
• een medewerker zo snel mogelijk langs zou komen met een verificatiecode;
- zich (vervolgens) naar de woning van voornoemde persoon/personen te begeven
en/of zich (aldaar) uit te geven als medewerker van de ING-bank en/of [valse naam 4]
en/of zijn/haar/hun bankpas(sen) mee te nemen;
- voornoemde geldbedragen te pinnen met deze bankpas(sen) en pincode(s);
2
hij op of omstreeks 15 mei 2023 te Hillegom, niet-openbare gegevens, te weten 2
bestanden met leads(lijsten) genaamd “ [bestandsnaam 1] ” en “ [bestandsnaam 2] ”, bevattende
(grote hoeveelheden) persoonlijke gegevens en rekeningnummers van in totaal
circa 10.000 derden
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad,
terwijl hij, verdachte, ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van
deze gegevens wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf
waren verkregen
3
hij op of omstreeks 20 mei 2022 te Hillegom en/of Deventer, althans in Nederland
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk
om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door
listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[naam 2] (p. 281 (digitaal 375) te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten
een geldbedrag van € 954,- euro,
- gebruik heeft gemaakt van een valse hoedanigheid, te weten de zoon of dochter
van die [naam 2] en (vervolgens)
- via WhatsApp een gesprek is gestart met -zakelijk weergegeven- de volgende
inhoud:
• dat hij/zij een openstaande betaling heeft die hij/zij moet overmaken;
• of hij/zij wat van die [naam 2] kan lenen;
• dat hij/zij later uitlegt waarom;
- die [naam 2] heeft verzocht om bovengenoemd geldbedrag over te maken op
rekeningnummer(s) [rekeningnummer 4] t.n.v. [valse naam 1] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Dagvaarding II - 09-092792-24
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 3 oktober 20233, te Leiden,
een telefoon (Iphone), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 8] ,
in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om
het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
( art 310 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 oktober 2023, te Leiden,
opzettelijk een telefoon (Iphone), in elk geval enig goed,
geheel of ten dele toebehorende aan [naam 8] , in elk geval aan een ander of anderen
dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich
had, te weten als houder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2
hij op of omstreeks 5 oktober 2023, te Hillegom, althans in Nederland,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door
listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[naam 9] en/of [naam 10] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten 100
euro, door
- met de telefoon van [naam 9] berichten te sturen naar [naam 10] ,
- waardoor [naam 10] in de veronderstelling was contact te hebben met zijn zoon
[naam 9] ,
- en daarbij een betaalverzoek te sturen, en/of om geld te vragen;
3
hij op of omstreeks 5 oktober 2023 te Hillegom,
opzettelijk een telefoon (Iphone), in elk geval enig goed,
geheel of ten dele toebehorende aan [naam 9] , in elk geval aan een ander of anderen
dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich
had, te weten als houder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;