Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9896

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
NL24.32994 en NL25.49942 en NL25.49550
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 31 Vwals
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging ministeriële afwijzing asielaanvragen Colombiaanse vrouw en kinderen wegens onvoldoende geloofwaardigheidsbeoordeling

Eiseres, een Colombiaanse vrouw, vreesde voor haar veiligheid vanwege de activiteiten van haar stiefvader als vakbondsleider en de dreiging van gewapende groeperingen. Haar moeder en stiefvader werden vermoord, waarna zij ontheemd raakte. De minister erkende de eerdere vervolging, maar verwierp latere bedreigingen en afpersingen als ongeloofwaardig.

De rechtbank oordeelde dat de minister geen volledige en samenhangende beoordeling van het asielrelaas had gemaakt. De verklaringen van eiseres werden niet integraal beoordeeld in samenhang met bewijsstukken en landeninformatie. Ook de asielaanvragen van haar kinderen werden onjuist los van die van hun moeder beoordeeld.

De rechtbank vernietigde de bestreden besluiten en gaf de minister acht weken de tijd om nieuwe besluiten te nemen, waarbij een volledige geloofwaardigheidsbeoordeling inclusief de kinderen moet worden gemaakt. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzingen van de asielaanvragen en draagt de minister op nieuwe besluiten te nemen met een volledige geloofwaardigheidsbeoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.32994, NL25.49942 en NL25.49550
V-nummers: [v-nummer 1] , [v-nummer 2] en [v-nummer 3]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres 1] ,

geboren op [geboortedag 1] 1989, eiseres 1,
en haar kinderen:
[eiser] ,
geboren op [geboortedag 2] 2007, eiser,
[eiseres 2] ,
geboren op [geboortedag 3] 2012, eiseres 2,
allen van Colombiaanse nationaliteit en samen te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. S. Oukil),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister).

(gemachtigde: mr. A. Roeloffzen Smit).

Procesverloop

Eiseres 1 heeft op 18 oktober 2022 in Nederland asiel aangevraagd. Eiser, haar zoon, heeft op 30 maart 2023 asiel aangevraagd en eiseres 2, haar dochter, heeft op 30 mei 2024 asiel aangevraagd.
De minister heeft met het besluit van 26 juli 2024 (bestreden besluit 1) de asielaanvraag van eiseres 1 in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Eiseres 1 heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1.
De minister heeft met besluiten van 10 en 13 oktober 2025 (bestreden besluiten 2 en 3) de asielaanvragen van eiseres 2 en eiser in de algemene asielprocedure afgewezen als ongegrond. Eiser en eiseres 2 hebben tegen de bestreden besluiten 2 en 3 beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen van eisers op 1 december 2025 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en
J.M. van Schaik als tolk in de Spaanse taal. De minister is, met bericht, niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank van de zaak van eiseres 1 (zaaknummer: NL24.32994)
Het asielrelaas van eiseres
1. Eiseres 1 heeft aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd.
Zij vreest voor gewapende groeperingen [naam 1] [1] en de [naam 2] . De stiefvader van eiseres 1 was lid van de vakbond [naam 3] . Hij was in het bezit van een zwarte lijst met namen van mensen die vermoord moesten worden. Hij informeerde deze mensen en hielp ze daarmee te vluchten. Op 17 september 1999, toen eiseres 1 met haar moeder en stiefvader in Antiqouia woonde, zijn twee mannen naar hun huis gekomen en hebben zij voor hun huis een bomaanslag gepleegd, waarbij de moeder van eiseres 1 om het leven is gekomen. In 2007 heeft ze op advies van de familie aangifte gedaan van de moord op haar moeder. In 2011 en op 10 december 2021 is eiseres 1 weer bedreigd. Eiseres 1 heeft verder verteld dat zij en haar man, toen zij een hotel runden in de gemeente [plaats] , werden afgeperst.
Het bestreden besluit 1
2. Het asielrelaas van eiseres 1 bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • problemen met gewapende groeperingen.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste relevante element geloofwaardig is, maar het tweede niet. Volgens de minister heeft eiseres 1 summier verklaard over de bedreigingen en ze heeft niet consistent verklaard over het onderduiken voor de groeperingen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
De bedreigingen
3. De minister heeft eiseres 1 tegengeworpen dat zij niet precies weet welke groepering haar moeder heeft vermoord en haar bedreigd heeft en dat het enkel haar vermoeden is dat de [naam 2] daar achter zit. Dit vermoeden zou eiseres 1 niet nader hebben onderbouwd.
4.1. De rechtbank is van oordeel dat eiseres 1 consistent en gedetailleerd heeft verklaard over de bedreigingen en de relatie tot de werkzaamheden van haar stiefvader. Dit blijkt onder meer uit de verklaringen uit het nader gehoor. Eiseres 1 heeft onder meer verklaard dat zij vreest voor de leden van paramilitaire groepering [naam 2] . En verder:
Toen het gebeurde met mijn ouders heb ik gehoord dat de [naam 1] paramilitaire opdracht gegeven had om mijn ouders te vermoorden. Dat is ook een paramilitaire groepering die samenwerkt met de [naam 2] in de regio. Momenteel zijn die in het hele land actief. Ik hoorde dat die groepering opdracht gegeven had mijn ouders te vermoorden.
Al die gewapende groeperingen bestaan nog steeds.” [2]
4.2.
Uit de verklaringen blijkt dat eiseres 1, anders dan de minister stelt, ook concreet heeft verklaard welke groepering haar moeder en stiefvader heeft vermoord en haar bedreigd heeft. Op pagina’s 10, 11, 14, 15, 16 en 17 van het nader gehoor heeft eiseres 1 haar hiervoor aangehaalde verklaringen over de bedreigingen en de link met haar stiefvader nader toegelicht. De rechtbank verwijst ook naar die uitvoerige verklaringen.
4.3.
Bovendien heeft eiseres 1 ter onderbouwing van haar verklaringen onder meer een slachtofferverklaring overgelegd en naar landeninformatie verwezen waarin wordt bevestigd dat haar stiefvader, [naam 4] , [functie] was en is gedood. Het is dus niet alleen een vermoeden van eiseres 1 dat de [naam 2] / [naam 1] achter de bedreigingen zit. Dat er niet een specifieke naam wordt genoemd in de slachtofferverklaring, neemt niet weg dat dit document de verklaringen van eiseres 1 onderbouwt dat zij slachtoffer is geweest van een gewapende groepering. De minister gelooft het relaas van eiseres 1 wat betreft de positie van de stiefvader, de moord op haar moeder en stiefvader en haar ontheemding nadien. De minister gelooft dat eiseres 1 eerder slachtoffer is geweest van een gewapende groepering. Dit geldt als vroegere vervolging en dient op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Vw [3] als omkering van de bewijslast te gelden. Uit het bestreden besluit blijkt niet kenbaar dat de minister dit in het voordeel van eiseres 1 in de geloofwaardigheidsbeoordeling van haar asielrelaas heeft betrokken. De beroepsgrond slaagt.
5.1.
De minister heeft eiseres 1 verder tegengeworpen dat het opmerkelijk is dat zij als enig (stief)kind bedreigd is en haar zus en de kinderen van haar stiefvader niet.
5.2.
Eiseres 1 heeft hiertegen in beroep gewezen op haar verklaringen hierover tijdens het nader gehoor. Op de vraag of haar zus problemen heeft ondervonden naar aanleiding van dood van haar stiefvader heeft eiseres 1 het volgende geantwoord:
“Mijn zus was nog heel klein toen het gebeurde en zij viel onder verantwoordelijkheid van een tante, een zus van mijn vader. Op het moment dat ik aangifte deed kwamen ze achter mijn verblijfsplaats en omdat familieleden zich over mijn zus hebben ontfermd, bleef zij op grotere afstand.” [4]
Op de vraag of de biologische kinderen van haar stiefvader problemen hebben ondervonden heeft eiseres 1 het volgende geantwoord:
“Ik heb al lange tijd geen contact met zijn kinderen. Dus ik weet niet of zij iets van een verklaring hebben afgelegd. Ik weet niks van hen.” [5] De minister heeft op de verwijzing van eiseres 1 naar deze verklaringen van haar niet gereageerd. Deze tegenwerping van de minister in het bestreden besluit kan daarom niet zonder meer standhouden.
Het onderduiken voor de groeperingen
6.1.
De minister vindt het ongeloofwaardig dat eiseres 1 moest onderduiken voor de groeperingen omdat hij het opmerkelijk vindt dat eisers 1 een hotel is gaan runnen in de buurt van de ontmoetingsplek van [naam 2] . Dat het hotel op naam van de man van eiseres 1 staat en dat zij hem leerde kennen toen hij al bezig was met het hotel, volgt de minister niet, omdat uit de verklaringen van eiseres 1 kan worden opgemaakt dat zij het hotel samen zijn begonnen. Zij heeft namelijk verklaard dat, toen zij het hotel begonnen, samen besloten hebben om haar spaargeld daarin te investeren. Dat eiseres 1 niet aan het hotel te linken is volgt de minister ook niet. Eiseres 1 heeft namelijk verklaard dat zij als een natuurlijke persoon bij de KvK [6] en de organisatie die gaat over de belastingen staat ingeschreven. Los hiervan heeft zij verklaard dat zij regelmatig naar het hotel op en neer ging. Dit is zichtbaar voor anderen waardoor het duidelijk is dat zij aan het hotel verbonden is.
6.2.
Eiseres 1 heeft hiertegen aangevoerd dat niet zij maar haar man via een rechtspersoon in het KvK geregistreerd staat. Dit blijkt ook uit haar verklaringen op pagina 13 van het nader gehoor. Het is dus een aanname van de minister dat eiseres 1 publiekelijk verbonden zou zijn aan het hotel, iets wat makkelijk opgehelderd had kunnen worden tijdens een gehoor, aldus eiseres. De minister heeft op deze beroepsgrond niet geregeerd, waardoor deze tegenwerping niet zonder meer te volgen is. De minister heeft tijdens het nader gehoor op dit punt ook niet doorgevraagd.
6.3.
Eiseres 1 heeft ten aanzien van de tegenwerping dat zij dicht bij een ontmoetingsplek van [naam 2] woont, aangevoerd zij tijdens het nader gehoor meerdere keren heeft verklaard dat zij steeds verhuisde om zo buiten het beeld van de gewapende groeperingen te blijven. Dat zij op een gegeven moment per toeval in de buurt van een ontmoetingsplek van [naam 2] een hotel is gaan runnen, maakt haar asielrelaas niet ongeloofwaardig maar juist aannemelijk dat zij hierdoor weer in beeld is gekomen bij de gewapende groepering. Uit de landeninformatie blijkt immers dat de [naam 2] in het hele land en met name het noordwesten actief is. Eiseres 1 heeft in beroep verder verduidelijkt dat het hotel in een kleine gemeente is waar haar man is opgegroeid, haar hoofdverblijf in Medellín had en in de periode 2018/2019 een paar dagen per maand naar het hotel ging om daar te werken. De minister heeft op deze beroepsgrond en de nadere toelichting van eiseres 1 niet gereageerd, waardoor deze tegenwerping niet zonder meer te volgen is. Ook op dit punt is tijdens het nader gehoor niet doorgevraagd.
De afpersing
7. Eiseres 1 voert terecht aan dat de minister ten onrechte bij de beoordeling van het asielrelaas niet heeft betrokken dat zij tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat zij en haar man tijdens het runnen van het hotel te maken hebben gehad met afpersingen. [7] De minister heeft ook op dit punt ten onrechte niet doorgevraagd, terwijl eiseres 1 tijdens het nader gehoor een link heeft gelegd tussen die afpersingen en de bedreigingen door de gewapende groeperingen. Het relevante element ‘afpersingen’ komt helemaal niet terug in de besluitvorming, terwijl uit de landeninformatie blijkt dat zulke praktijken in Columbia regelmatig voorkomen [8] . Ook deze beroepsgrond slaagt.
Landeninformatie
8. Uit het bestreden besluit 1 blijkt niet kenbaar dat de minister het asielrelaas van eiseres 1 tegen het licht van de situatie in Columbia heeft gehouden en met inachtneming van wat daarover uit de openbare bronnen bekend is heeft beoordeeld. In het bestreden besluit 1 heeft de minister alleen voor de vraag waar [naam 2] vooral actief is, naar de openbare bronnen verwezen. De minister heeft niet kenbaar de landeninformatie betrokken bij de beoordeling van de door eiseres 1 gestelde bedreigingen door de gewapende groepering en haar jarenlang onderduiken en de gestelde afpersingen nadien. Ook deze beroepsgrond slaagt.
Onderbouwing van het asielrelaas in beroep
9.1.
In beroep heeft eiseres 1 naar landeninformatie verwezen waaruit blijkt dat de familieleden van sociale leiders gevaar lopen, ook wanneer de sociale leider al is gedood.
9.2.
De minister heeft in beroep geen standpunt ingenomen over deze landeninformatie die als een onderbouwing van het asielrelaas kan worden gezien. Ook hierom kan de door de minister gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling niet zonder meer standhouden.
9.3.
Eiseres 1 heeft in beroep verder een door een notaris opgemaakte verklaring van haar stiefzus overgelegd waarin zij verklaart dat op 7 augustus 2025 verschillende mannen zijn langsgekomen op het woonadres van haar zus. Deze mannen hebben zich geïdentificeerd als leden van de criminele groepering die bekend staat als [naam 1] Zij hebben het huis van haar zus in brand hebben gestoken, zonder zich zorgen te maken over het feit dat er mensen aanwezig waren in het huis, en zijn vervolgens gevlucht. Zij verklaart verder dat diezelfde mannen in de dagen daarvoor zijn langsgekomen bij diezelfde woning van de zus van eiseres 1 om te vragen naar eiseres 1.
9.4.
De minister heeft in beroep geen standpunt ingenomen over deze door de notaris opgemaakte verklaring van de zus van eiseres 1 die als een onderbouwing van het asielrelaas kan worden gezien. Ook hierom kan de door de minister gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling niet zonder meer standhouden.
9.5.
Eiseres 1 heeft ook een digitale aangifte overgelegd van 6 november 2025 bij het Openbaar Ministerie van Columbia waarin zij verklaart over een incident op
8 augustus 2025. Zij verklaart dat op die datum mannen naar het huis van haar zus en haar gezin zijn gekomen en het huis in brand hebben gestoken. Eerder waren ook mannen naar de woning gekomen om naar eiseres 1 te vragen, maar zij was er toen niet. De zus van eiseres is vervolgens naar het Openbaar Ministerie gegaan om aangifte te doen, maar de functionaris die haar te woord stond heeft haar laten weten dat hij de aangifte niet wilde opnemen. Eiseres 1 verklaart verder dat [naam 1] in de loop van de jaren heeft getracht om haar verblijfplaats te achterhalen, reden waarom zij steeds verhuisd is van de ene stad naar de andere stad. Ze verklaart verder dat ze jaren geleden ook heeft getracht om aangifte te doen bij het Parket van Medellín en dat toen werd geweigerd de aangifte op te nemen, zonder enig rechtsgeldig argument of enige rechtvaardiging.
9.6.
De minister heeft in beroep geen standpunt ingenomen over deze aangifte die als een onderbouwing van het asielrelaas kan worden gezien. Ook hierom kan de door de minister gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling niet zonder meer standhouden. De beroepsgrond slaagt.
Beoordeling van de rechtbank van de zaken van eiser en eiseres 2, met zaaknummers NL25.49942 en NL25.49550
10. Eiser en eiseres 2 voeren terecht aan dat de minister ten onrechte hun asielaanvragen los van de asielaanvraag van eiseres 1 (hun moeder) heeft beoordeeld. Eiseres 1 heeft bij haar asielaanvraag verklaard over haar man en haar kinderen. Tijdens het aanmeldgehoor van eiseres 2 zegt eiseres 1 dat haar kinderen destijds niet konden meevluchten. Tijdens het nader gehoor benadrukt eiseres 1 dat haar kinderen hier bij haar zijn gekomen vanwege haar asielmotief. Eiseres 1 heeft verklaard dat de gewapende groepering bedreigingen heeft geuit, niet alleen ten aanzien van eiseres 1, maar ten aanzien van haar hele gezin. [9] Nu eiser en eiseres 2 tot het gezin van eiseres 1 behoren, hadden deze problemen (elementen) ook moeten worden betrokken bij de beoordeling van hun asielaanvragen. Dat eiser en eiseres 2 (nog niet) persoonlijk problemen hebben ondervonden van de gewapende groepering en daar niets over kunnen vertellen, komt omdat zij minderjarig zijn en door eiseres 1 bewust zijn beschermd. Zij heeft hen om veiligheidsredenen niets verteld over haar asielmotief en de reden van hun vertrek uit Columbia. Door de aanvragen van eiser en eiseres 2 los van de aanvraag van eiseres 1 in de algemene asielprocedure af te wijzen vanwege het ontbreken van een zelfstandig asielrelaas zijn de bestreden besluiten 2 en 3 onzorgvuldig tot stand gekomen. De bestreden besluiten 2 en 3 zijn ook ondeugdelijk gemotiveerd omdat de minister ten aanzien van de motivering van de afwijzing van de asielaanvragen verwijst naar het bestreden besluit 1, dat al op grond van de voorgaande overwegingen geen stand houdt.

Conclusie in alle zaken

11. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten 1, 2, en 3 in strijd zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel [10] en het motiveringsbeginsel [11] . De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten 1, 2 en 3. De rechtbank ziet gelet op de voorgaande overwegingen geen reden om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten. Omdat de minister een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling dient te maken van het asielrelaas van eiseres 1 in overeenstemming met deze uitspraak, en daarbij ook de asielaanvragen van eiser en eiseres 2 dient te betrekken, ziet de rechtbank geen ruimte om zelf een beslissing over de aanvragen te nemen.
12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister nieuwe besluiten moet nemen op de aanvragen van eisers en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor 8 weken. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de mogelijkheid dat de minister eiseres 1 aanvullend zal horen en/of nader onderzoek dient te doen naar de overgelegde aangifte en de notariële verklaring.
13. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt
€ 3.736,-, omdat de gemachtigde van eisers voor iedere eiser een beroepschrift heeft ingediend tegen een apart besluit en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten 1, 2 en 3;
- draagt de minister op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen van eisers, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 3.736,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen de uitspraak, voor zover deze ziet op de zaak NL24.32994 kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Tegen de uitspraak, voor zover deze ziet op de zaken NL25.49942 en NL25.49550 kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.

Voetnoten

1.[naam 1] .
2.Pagina’s 8 en 9 van het nader gehoor.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Pagina 16 van het nader gehoor.
5.Pagina 17 van het nader gehoor.
6.Kamer van Koophandel.
7.Pagina’s 11 en 12 van het nader gehoor.
8.Pagina 75 en verder van het Algemeen Ambtsbericht Columbia maart 2022 en pagina 92 en verder van het Algemeen Ambtsbericht Columbia juni 2024.
9.Pagina 10 van het nader gehoor van eiseres 1.
10.Artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
11.Artikel 3:46 van Pro de Awb