Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9861

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
NL26.21857
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 96 lid 3 VwVreemdelingenwet 2000Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 24 maart 2026 door de minister van Asiel en Migratie is opgelegd. De rechtbank heeft eerder op 7 april 2026 geoordeeld dat de maatregel tot 2 april 2026 rechtmatig was, waardoor alleen de periode na die datum relevant is voor beoordeling.

Eiser stelde dat de minister ten onrechte geen claim heeft ingediend bij de Spaanse autoriteiten op grond van de Dublinverordening, aangezien hij sinds 2020 in Spanje verblijft en daar ingeschreven staat. De rechtbank oordeelde dat deze grond reeds in de eerdere procedure is behandeld en verworpen, omdat eiser via België naar Nederland is overgebracht en de Dublinverordening daarom niet van toepassing is.

De rechtbank voerde een ambtshalve toets uit en zag geen reden om het voortduren van de maatregel onrechtmatig te verklaren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21857

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 24 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 23 april 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2000.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 7 april 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 2 april 2026, rechtmatig was. [2] Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 2 april 2026.
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft geclaimd bij de Spaanse autoriteiten op grond van de Dublinverordening. Uit de asielprocedure van eiser blijkt dat hij sinds 2020 in Spanje verblijft en ingeschreven staat in een gemeente aldaar.
5. De rechtbank stelt vast dat deze beroepsgrond een herhaling is van wat eiser in de vorige procedure tegen de maatregel van bewaring heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de uitspraak van 7 april 2026 reeds geoordeeld dat de Dublinverordening niet van toepassing is op eiser, nu hij in de nationale procedure is opgenomen na een Dublinoverdracht door België. De rechtbank ziet in de enkele herhaling van de beroepsgrond geen aanleiding voor een ander oordeel.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 24 april 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.