ECLI:NL:RBDHA:2026:984

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL25.32166
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig nemen van besluit op aanvraag verblijfsdocument EU/EER

In deze zaak heeft eiser op 16 juli 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een verblijfsdocument EU/EER. De rechtbank heeft uitspraak gedaan buiten zitting op basis van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank oordeelt dat het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld wordt met een besluit, zoals bepaald in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb. Eiser had bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard door de minister van Asiel en Migratie op 21 december 2023. De rechtbank had eerder, op 26 april 2024, het beroep tegen deze afwijzing gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Echter, een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 24 juni 2024 schorste de werking van de eerdere uitspraak van de rechtbank. Hierdoor was de termijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag op het moment van indiening van de ingebrekestelling op 27 juni 2025 geschorst. De rechtbank concludeert dat het beroep tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk is. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan op 22 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32166

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

[V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 16 juli 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een verblijfsdocument EU/EER.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Bij besluit van 21 december 2023 heeft verweerder eisers bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag ongegrond verklaard. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep hiertegen bij uitspraak van 26 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:6621) gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en verweerder opgedragen om binnen acht weken na bekendmaking van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak. Bij uitspraak van 24 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat verweerder geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. De Afdeling heeft vooralsnog niet beslist op het hoger beroep.
3. Dat betekent dat op het moment van indiening van de ingebrekestelling op 27 juni 2025 de werking van de uitspraak van de rechtbank en de daarin opgenomen beslistermijn was geschorst. Voor zover eiser wijst op een passage uit het hoger beroepschrift van verweerder waarin hij schrijft dat hij een nieuw besluit zal nemen omdat hij het eens is met de rechtbank dat een onderdeel uit het vernietigde besluit onvoldoende is gemotiveerd, laat dit de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling onverlet.
4. Het beroep tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 22 januari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.