Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9817

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
NL26.17087
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:83 AwbArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang wegens geen uitstel van vertrek

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin is bepaald dat hij geen uitstel van vertrek krijgt op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en dat hij de uitkomst van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld zonder zitting. Uit het medische dossier en het BMA-advies blijkt dat verzoeker gezondheidsklachten heeft, maar dat niet is vastgesteld dat het uitblijven van behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Verzoeker staat niet onder actuele medisch-specialistische behandeling, mede doordat de neuroloog geen informatie heeft verstrekt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en dat het spoedeisend belang van verzoeker onvoldoende is om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Daarom wordt het verzoek afgewezen. Tevens wordt verzoeker vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht.

De uitspraak is gedaan op 23 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en geen medische noodsituatie is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17087

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoekerV-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. R.B. Hemeltjen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.F. Aly) verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder beslist dat verzoeker niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verzoeker heeft hiertegen bezwaar ingediend. Verweerder heeft in het bestreden besluit bepaald dat verzoeker de uitkomst van zijn bezwaar niet in Nederland mag afwachten.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij de bezwaarprocedure in Nederland mag afwachten.
Verweerder heeft desgevraagd een verweerschrift ingediend.
Verzoeker heeft hierop gereageerd.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

Van de indiener van een verzoekschrift wordt griffierecht geheven. Verzoeker heeft gevraagd om te worden vrijgesteld van de betaling hiervan vanwege betalingsonmacht. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen.
Onder meer indien zoals hier, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, kan op grond de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval zo’n spoedeisend belang bestaat bij de gevraagde voorziening, aangezien verzoeker vanwege het niet (langer) verlenen van uitstel van vertrek geen rechtmatig verblijf meer heeft en aansluitend, met ingang van 24 april 2026 geen opvangvoorzieningen, waaronder medische zorg. Indien bij wijze van voorlopige voorziening zou worden bepaald dat verzoeker moet worden behandeld als ware hem uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vw, zal verzoeker ook weer toegang krijgen tot bedoelde opvangvoorzieningen. Het als zodanig juiste standpunt van verweerder dat in deze procedure de toegang tot opvangvoorzieningen als zodanig niet voorligt, staat daar los van.
Indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, kan op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb op het verzoek worden beslist zonder dat een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek kennelijk ongegrond is en overweegt daartoe als volgt.
In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor uitstel van vertrek omdat hij kan reizen en terugkeer niet leidt tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM om medische redenen. Verweerder baseert zich daarbij op het advies van BMA van 24 februari 2026. Uit dat advies blijkt dat verzoeker gezondheidsklachten heeft, maar dat op grond van de beschikbare medische informatie niet kan worden vastgesteld dat het uitblijven van een behandeling van die klachten zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Van belang is hierbij dat verzoeker op het door hem op 8 december 2025 ondertekende toestemmingsverklaring medische gegevens heeft opgegeven onder behandeling te staan bij de huisarts van GZA te Heerhugowaard en bij [naam neuroloog] te Alkmaar. Uit het BMA-advies en de dossierstukken blijkt dat BMA, ondanks herhaalde verzoeken, van deze specialist geen informatie heeft ontvangen. Gelet hierop heeft BMA niet kunnen vaststellen dat verzoeker daadwerkelijk onder medisch-specialistische behandeling staat. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat niet is gebleken dat bij terugkeer van verzoeker een medische noodsituatie zal ontstaan vanwege het uitblijven van behandeling.
5. Dat het BMA-advies daarnaast vermeldt dat volgens de huisarts op 8 januari 2026 een consult bij de neuroloog heeft plaats gehad, doet er niet aan af dat nog altijd geen informatie beschikbaar is over een daadwerkelijke, actuele medisch-specialistische behandeling. Hetzelfde geldt voor de ter ondersteuning van het verzoek overgelegde medische informatie. Dit betreft een schriftelijke verklaring van een Belgische arts uit mei 2025, en een document ‘Neurologie’, gedateerd 23 januari 2026, waaruit blijkt van bezoeken aan de polikliniek Neurologie op 4 november 2025 en 8 januari 2026 en een voorstel tot vervolgonderzoek.
6. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar tegen het bestreden besluit bij de huidige stand van zaken daarom geen redelijke kans van slagen. Om die reden wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.