Eiser kreeg op 2 april 2025 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, verplicht verblijf in een locatie in Westerwolde. Na een verzoek tot opheffing op 3 december 2025 weigerde de minister dit en verklaarde het bezwaar kennelijk ongegrond. Eiser stelde dat zijn medische situatie en het langdurige verblijf nieuwe feiten vormden die een opheffing rechtvaardigen, mede omdat hij bij stichting INLIA passende zorg en opvang kan krijgen.
De minister handhaafde het standpunt dat geen nieuwe feiten waren en dat het vertrek naar het land van herkomst mogelijk bleef. Ook vond de minister dat de zorg in de vrijheidsbeperkende locatie beter was dan bij INLIA en dat een verblijf bij INLIA toezicht bemoeilijkt.
De rechtbank oordeelde dat de minister het bezwaar niet kennelijk ongegrond had mogen verklaren, omdat eiser niet was gehoord en zijn belangen onvoldoende kenbaar kon maken. De medische situatie en de mogelijkheid tot opvang bij INLIA zijn relevante feiten die nader onderzocht moeten worden. De minister moet binnen vier weken een nieuw besluit nemen, waarbij eiser vooraf wordt gehoord.
De rechtbank vernietigde het besluit op bezwaar en veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten van €1.868,00. Er is geen hoger beroep mogelijk.