Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9803

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
25/9214
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 7 Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschapArt. 16a PaspoortwetArt. 2.1 PaspoortbesluitArt. 52 Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen buiten behandeling stellen aanvraag Nederlandse ID-kaart

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een Nederlandse ID-kaart, die door verweerder buiten behandeling is gesteld op grond van het verlies van het Nederlanderschap van haar moeder. Verzoekster stelde bezwaar in en vroeg om een voorlopige voorziening om het besluit te schorsen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster beschikt over de Nederlandse nationaliteit en een geldig paspoort, en dat zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op korte termijn problemen zal ondervinden door het buiten behandeling stellen van haar aanvraag. Ook is de door haar gestelde stress onvoldoende onderbouwd met objectieve medische informatie, waardoor het spoedeisend belang ontbreekt.

Daarnaast is het besluit niet evident onrechtmatig, omdat de complexe rechtsvraag over het verlies van het Nederlanderschap van de moeder van verzoekster nader onderzoek vereist, wat in de bezwaarprocedure zal plaatsvinden. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard en afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en het besluit is niet evident onrechtmatig.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/9214

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [land 1], verzoekster

(gemachtigde: mr. H. de Voer),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Geraedts).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om voorlopige voorziening dat verzoekster heeft ingediend hangende het door haar ingestelde bezwaar tegen het primaire besluit van 6 november waarmee haar aanvraag om een Nederlandse identiteitskaart (hierna: ID-kaart) buiten behandeling is gesteld.
1.1.
Verweerder heeft op de voorziening gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang bij verzoekster. Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) maakt dat mogelijk. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. [naam 1] (hierna: de moeder van verzoekster) is op [geboortedatum] 1965 geboren in [geboorteplaats] en verkreeg via haar Nederlandse vader bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. Op enig moment is zij met haar ouders naar [land 2] vertrokken. Bij besluit van 6 mei 1980 hebben de [land 2] autoriteiten de moeder van verzoekster als minderjarige door voorlopige naturalisatie de [land 2] nationaliteit verleend. Bij besluit van 5 september 1989 is deze naturalisatie definitief geworden. De moeder van verzoekster beschikt over een [land 2] paspoort dat is afgegeven op 16 juni 2016 en geldig is tot 15 juni 2026.
2.1.
Sinds 8 september 1990 woont de moeder van verzoekster in [land 1], alwaar zij in het huwelijk is getreden met de heer [naam 2] (hierna: de vader van verzoekster) die beschikt over de [land 1] nationaliteit. Samen hebben zij vijf kinderen gekregen, te weten [kind 1] (1993), [kind 2] (1994), [kind 3] (2000), [kind 4] (2002) en verzoekster (2007). Alle kinderen verkregen door geboorte de [land 1] nationaliteit en beschikken over een [land 1] paspoort, zo ook verzoekster.
2.2.
Op 9 oktober 2025 heeft de verzoekster bij de Nederlandse ambassade in [land 1] een aanvraag voor een Nederlands paspoort ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder een nader onderzoek ingesteld. Hieruit heeft verweerder geconcludeerd dat de moeder van verzoekster het Nederlanderschap op 14 september 1989 van rechtswege heeft verloren omdat zij op die datum de [land 2] nationaliteit heeft verkregen door naturalisatie. [1] Hierdoor beschikt ook verzoekster niet meer over de Nederlandse nationaliteit. Met het bestreden besluit van 6 november 2025 heeft verweerder daarom de aanvraag van verzoekster om een Nederlandse ID-kaart buiten behandeling gesteld. [2]
Wat vindt verzoekster?
3. Verzoekster heeft bezwaar ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, in casu dat zij de Nederlandse nationaliteit behoudt, een Nederlands reisdocument aan haar wordt verstrekt en dat haar persoonsgegevens niet in het Register Paspoortsignaleringen zullen worden opgenomen.
Zij betoogt allereerst dat het bestreden besluit in de bezwaarfase geen stand zal houden en draagt daartoe – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aan. De door verweerder genoemde verliesgrond is hier niet van toepassing omdat de moeder van verzoekster bij besluit van 6 mei 1980 als minderjarige zelfstandig de [land 2] nationaliteit heeft verkregen door naturalisatie. De [land 2] autoriteiten hebben haar toen ook een [land 2] paspoort en een [land 2] ID-kaart toegekend. Op grond van de [land 2] wetgeving moet een minderjarige, die op deze wijze de [land 2] nationaliteit heeft verkregen, binnen twee jaar na het bereiken van de meerderjarige leeftijd bevestigen of hij of zij de [land 2] nationaliteit ook wil behouden. Dat heeft zij op 14 september 1989 gedaan. Dit gaat echter om een herbevestiging en laat onverlet dat de moeder van verzoekster de [land 2] nationaliteit al op 6 mei 1980 heeft verkregen. Ter ondersteuning van deze opvatting heeft verzoekster een legal opinion van [naam 3] ingebracht en verwezen naar de landeninformatie in de database VIND Burgerzaken. Voorts geeft verzoekster aan dat het bestreden besluit onevenredige Unierechtelijke gevolgen voor haar heeft. Tot slot heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door zich bij de besluitvorming slechts te baseren op een niet-vertaalde [land 2] naturalisatieakte.
Mocht het aankomen op een belangenafweging, dan valt deze uit in het voordeel van verzoekster. Deze onzekere situatie brengt namelijk de nodige stress en spanning met zich mee.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
4.1.
Vast staat dat verzoekster beschikt over de [land 1] nationaliteit en een [land 1] paspoort. Dat zij desondanks op korte termijn problemen zal ondervinden omdat haar aanvraag om een Nederlandse ID-kaart buiten behandeling is gesteld, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Ook de stelling dat zij stress ondervindt van deze situatie heeft zij onvoldoende met objectieve medische informatie onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet gelet daarop niet in waarom van verzoekster niet zou kunnen worden gevergd om de beslissing op het door hem ingediende bezwaarschrift af te wachten en is daarom van oordeel dat bij verzoekster het spoedeisende belang ontbreekt.
Evident onrechtmatig
5. Omdat de voorzieningenrechter vindt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven.
5.1.
De beantwoording van de vraag die in deze zaak centraal staat, namelijk of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de betreffende verliesgrond van het Nederlanderschap op de moeder van verzoekster van toepassing is omdat zij op 14 september 1989 als meerderjarige vrijwillig de [land 2] nationaliteit zou hebben verkregen, leent zich echter niet voor een voorlopige voorzieningenprocedure. De bezwaarprocedure leent zich bij uitstek voor de beantwoording van een dergelijke complexe rechtsvraag, wat ook blijkt uit het feit dat verweerder hierover op 29 januari 2026 een advies heeft gevraagd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en ook de [land 2] autoriteiten heeft geconsulteerd. Dat betekent dat hiernaar nog nader onderzoek moet worden verricht. Net als verweerder vindt de voorzieningenrechter dat de door verzoekster ingebrachte legal opinion hierover onvoldoende uitsluitsel geeft omdat deze niet afkomstig is van de [land 2] autoriteiten. Pas als op dit onderdeel de nodige duidelijkheid bestaat, komt de vraag aan de orde of het eventuele verlies van het Nederlanderschap door verzoekster van rechtswege onevenredige Unierechtelijke gevolgen voor haar heeft. Ook deze kwestie leent zich dus niet voor een beoordeling in een voorlopige voorzieningenprocedure. Voor wat betreft het overige dat door verzoekster is aangevoerd ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een evident onrechtmatig besluit.

Conclusie en gevolgen

6. Het verzoek is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap.
2.Op grond van artikel 16a, eerste lid, van de Paspoortwet jo. artikel 2.1 van het Paspoortbesluit jo. artikel 52, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001.