Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9800

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
25/9212
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschapArt. 8:83 AwbArt. 47 PaspoortwetArt. 54 PaspoortwetArt. 2.16 Paspoortbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verval Nederlandse nationaliteit en paspoort

Deze zaak betreft het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit dat het Nederlandse paspoort en de ID-kaart van verzoeker van rechtswege zijn vervallen vanwege het verlies van de Nederlandse nationaliteit.

Verzoeker stelt dat zijn moeder de Nederlandse nationaliteit niet rechtsgeldig heeft verloren en dat het besluit onevenredige gevolgen heeft. Hij voert aan dat het besluit onzorgvuldig is genomen en dat hij stress ondervindt door de situatie.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder tijdens de bezwaarprocedure heeft toegezegd dat de reisdocumenten niet hoeven te worden ingeleverd en persoonsgegevens niet worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij op korte termijn problemen zal ondervinden of dat er sprake is van spoedeisend belang.

Ook is het besluit niet evident onrechtmatig omdat de complexe rechtsvraag over het verlies van de nationaliteit nader onderzoek vereist, wat in de bezwaarprocedure zal plaatsvinden. Het verzoek wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard en afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en het niet evident onrechtmatig zijn van het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/9212

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [land 1], verzoeker

(gemachtigde: mr. H. de Voer),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Geraedts).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend hangende het door hem ingestelde bezwaar tegen het primaire besluit van 13 november waarin hem is medegedeeld dat zijn Nederlandse paspoort en identiteitskaart (hierna: ID-kaart) van rechtswege zijn vervallen en de persoonsgegevens die hierop staan zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen als hij deze documenten niet binnen twee weken inlevert bij de Nederlandse ambassade in [land 1].
1.1.
Verweerder heeft op de voorziening gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang bij verzoeker. Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) maakt dat mogelijk. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. [naam 1] (hierna: de moeder van verzoeker) is op [geboortedatum] 1965 geboren in [geboorteplaats] en verkreeg via haar Nederlandse vader bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. Op enig moment is zij met haar ouders naar [land 2] vertrokken. Bij besluit van 6 mei 1980 hebben de [land 2] autoriteiten de moeder van verzoeker als minderjarige door voorlopige naturalisatie de [land 2] nationaliteit verleend. Bij besluit van 5 september 1989 is deze naturalisatie definitief geworden. De moeder van verzoeker beschikt over een [land 2] paspoort dat is afgegeven op 16 juni 2016 en geldig is tot 15 juni 2026.
2.1.
Sinds 8 september 1990 woont de moeder van verzoeker in [land 1], alwaar zij in het huwelijk is getreden met de heer [naam 2] (hierna: de vader van verzoeker) die beschikt over de [land 1] nationaliteit. Samen hebben zij vijf kinderen gekregen, te weten [kind 1] (1993), [kind 2] (1994), [kind 3] (2000), verzoeker (2002) en [kind 4] (2007). Alle kinderen verkregen door geboorte de [land 1] nationaliteit en beschikken over een [land 1] paspoort, zo ook verzoeker.
2.2.
Op 9 oktober 2025 heeft de moeder van verzoeker bij de Nederlandse ambassade in [land 1] een aanvraag voor een Nederlands paspoort ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder een nader onderzoek ingesteld. Hieruit heeft verweerder geconcludeerd dat de moeder van verzoeker het Nederlanderschap op 14 september 1989 van rechtswege heeft verloren omdat zij op die datum de [land 2] nationaliteit heeft verkregen door naturalisatie. [1] Ook verzoeker beschikt daarmee niet meer over de Nederlandse nationaliteit. Om die reden heeft verweerder verzoeker met het primaire besluit medegedeeld dat de laatstelijk op 24 november 2020 aan hem verstrekte Nederlandse paspoort en de laatstelijk op 12 augustus 2025 aan hem verstrekte Nederlandse ID-kaart van rechtswege zijn vervallen [2] en de persoonsgegevens die hierop staan zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen als hij deze documenten niet binnen twee weken inlevert bij de Nederlandse ambassade in [land 1]. [3]
Wat vindt verzoeker?
3. Verzoeker heeft bezwaar ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, in casu dat hij de Nederlandse nationaliteit behoudt, een Nederlands reisdocument aan hem wordt verstrekt en dat zijn persoonsgegevens niet in het Register Paspoortsignaleringen zullen worden opgenomen.
Hij betoogt allereerst dat het bestreden besluit in de bezwaarfase geen stand zal houden en draagt daartoe – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aan. De door verweerder genoemde verliesgrond van het Nederlanderschap is hier niet van toepassing omdat zijn moeder bij besluit van 6 mei 1980 als minderjarige zelfstandig de [land 2] nationaliteit heeft verkregen door naturalisatie. De [land 2] autoriteiten hebben haar toen ook een [land 2] paspoort en een [land 2] ID-kaart toegekend. Op grond van de [land 2] wetgeving moet een minderjarige, die op deze wijze de [land 2] nationaliteit heeft verkregen, binnen twee jaar na het bereiken van de meerderjarige leeftijd bevestigen of hij of zij de [land 2] nationaliteit ook wil behouden. Dat heeft de moeder van verzoeker op 14 september 1989 gedaan. Dit gaat echter om een herbevestiging en laat onverlet dat zij de [land 2] nationaliteit al op 6 mei 1980 heeft verkregen. Ter ondersteuning van deze opvatting heeft verzoeker een legal opinion van [naam 3] ingebracht en verwezen naar de landeninformatie in de database VIND Burgerzaken. Voorts geeft verzoeker aan dat het bestreden besluit onevenredige Unierechtelijke gevolgen voor hem heeft. Tot slot heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door zich bij de besluitvorming slechts te baseren op een niet-vertaalde [land 2] naturalisatieakte.
Mocht het aankomen op een belangenafweging, dan valt deze uit in het voordeel van verzoeker. Zijn persoonsgegevens zullen namelijk worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen als hij zijn reisdocumenten niet tijdig inlevert. Voorts brengt deze onzekere situatie de nodige stress en spanning met zich mee.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
4.1.
Met het e-mailbericht van 29 december 2025 heeft verweerder aangegeven dat de moeder van verzoeker en haar kinderen in ieder geval gedurende de bezwaarprocedure hun reisdocumenten nog niet hoeven in te leveren en dat hun persoonsgegevens nog niet zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen. Verder staat vast dat verzoeker over de [land 1] nationaliteit en een [land 1] paspoort beschikt. Dat hij desondanks op korte termijn problemen zal ondervinden door het ongeldig verklaren van zijn Nederlandse paspoort en ID-kaart, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Ook de stelling dat hij stress ondervindt van deze situatie heeft hij onvoldoende met objectieve medische informatie onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet gelet daarop niet in waarom van verzoeker niet zou kunnen worden gevergd om de beslissing op het door hem ingediende bezwaarschrift af te wachten en is daarom van oordeel dat bij verzoeker het spoedeisende belang ontbreekt.
Evident onrechtmatig
5. Omdat de voorzieningenrechter vindt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven.
5.1.
De beantwoording van de vraag die in deze zaak centraal staat, namelijk of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de betreffende verliesgrond van het Nederlanderschap op de moeder van verzoeker van toepassing is omdat zij op 14 september 1989 als meerderjarige vrijwillig de [land 2] nationaliteit zou hebben verkregen, leent zich niet voor een voorlopige voorzieningenprocedure. De bezwaarprocedure leent zich bij uitstek voor de beantwoording van een dergelijke complexe rechtsvraag, wat ook blijkt uit het feit dat verweerder hierover op 29 januari 2026 een advies heeft gevraagd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en ook de [land 2] autoriteiten heeft geconsulteerd. Dat betekent dat hiernaar nog nader onderzoek moet worden verricht. Net als verweerder vindt de voorzieningenrechter dat de door verzoeker ingebrachte legal opinion hierover onvoldoende uitsluitsel geeft omdat deze niet afkomstig is van de [land 2] autoriteiten. Pas als op dit onderdeel de nodige duidelijkheid bestaat, komt de vraag aan de orde of het eventuele verlies van het Nederlanderschap door verzoeker van rechtswege onevenredige Unierechtelijke gevolgen voor hem heeft. Ook deze kwestie leent zich dus niet voor een beoordeling in een voorlopige voorzieningenprocedure. Voor wat betreft het overige dat door verzoeker is aangevoerd ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een evident onrechtmatig besluit.

Conclusie en gevolgen

6. Het verzoek is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap.
2.Op grond van artikel 47, eerste lid, onder a jo. artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de Paspoortwet jo. artikel 2.16 van het Paspoortbesluit.
3.Op grond van artikel 56 van Pro de Paspoortwet.