ECLI:NL:RBDHA:2026:979

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL25.11072
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.71 VbArtikel 8 EVRMArtikel 17 GezinsherenigingsrichtlijnBesluit 1/80Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG/Turkije
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier wegens niet voldoen aan mvv-vereiste en belangenafweging gezinshereniging

Eiseres, een Russische nationaliteit houdende vrouw, diende op 21 oktober 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel 'familie en gezin' om bij haar echtgenoot, de referent, in Nederland te verblijven. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af omdat eiseres niet voldeed aan het mvv-vereiste en er geen reden was voor vrijstelling. Tevens werd een belangenafweging gemaakt op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn, die in het nadeel van eiseres uitviel.

Eiseres voerde aan dat het bestreden besluit geen volledige heroverweging bevatte, dat de Turkse nationaliteit van de referent niet juist was beoordeeld, en dat de belangenafweging onvoldoende rekening hield met haar zwangerschap, de medische situatie en uitkering van de referent, en haar banden met Rusland. De rechtbank oordeelde dat verweerder wel degelijk een volledige heroverweging had gemaakt, dat de Turkse nationaliteit van de referent was aangetoond, maar dat dit niet leidde tot vrijstelling van het mvv-vereiste.

De rechtbank stelde vast dat de belangenafweging terecht negatief uitviel, mede omdat verweerder aannam dat eiseres en referent samen in Rusland konden wonen, dat de referent niet medisch gebonden was aan Nederland, en dat het beroep op het arrest Chakroun niet slaagde. De zwangerschap van eiseres kon niet worden betrokken bij de ex tunc-toets. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat geen bijzondere persoonlijke omstandigheden waren aangetoond.

Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter B.F.Th. de Roos op 21 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11072

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag om een verblijfsvergunning regulier ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld in Breda. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verder zijn verschenen [referent] , en [begeleider van referent] .

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1994 en heeft de Russische nationaliteit. Op 21 oktober 2022 heeft zij een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Zij wil in Nederland bij referent, haar echtgenoot, verblijven.
2. Bij besluit van 5 juni 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij het bestreden besluit is verweerder bij deze afwijzing gebleven. Redengevend daarvoor is dat eiseres niet beschikt over een geldige mvv [1] en er geen reden bestaat om haar van het mvv-vereiste vrij te stellen. Daarnaast heeft verweerder getoetst aan de Gezinsherenigingsrichtlijn [2] en geconcludeerd dat de in dat kader gemaakte belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. De uitzetting van eiseres is verder niet in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM. [3]
3. Eiseres voert het volgende aan. Het bestreden besluit getuigt allereerst niet van een bestuurlijke heroverweging, omdat op meerdere punten wordt verwezen naar het primaire besluit. Daarnaast heeft verweerder in verband met een mogelijke vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van het Turkse associatierecht ten onrechte tijdens de hoorzitting niet aan referent gevraagd om zijn Turkse nationaliteit aan te tonen. Verder heeft verweerder ten onrechte niet in de belangenafweging betrokken dat sprake is van een
certain degree of hardshipom het gezinsleven in Rusland uit te oefenen. Eiseres wijst hierbij erop dat in het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor Rusland de kleurcodes rood en oranje gelden. De volgens verweerder op eiseres rustende bewijslast om aannemelijk te maken welke van de in het reisadvies genoemde veiligheidsrisico’s concreet op eiseres van toepassing zijn, is kennelijk onredelijk. Voorts heeft verweerder in de belangenafweging feiten en omstandigheden die in het voordeel van eiseres dienen te wegen weggeredeneerd. Hierbij gaat het om de omstandigheden dat referent gebonden is aan Nederland voor zijn Wajong-uitkering en dat hij kan functioneren dankzij zijn familie en netwerk in Nederland. De overweging van verweerder dat niet bewezen is dat referent zijn medische behandeling niet in Rusland zou kunnen verkrijgen is bovendien in strijd met de rechten van referent als Nederlander. Ook had verweerder in zijn afweging moeten betrekken dat referent al 13 jaar een Wajong-uitkering krijgt. Deze uitkering is voldoende voor referent en eiseres, zodat eiseres niet (extra) ten laste van de openbare kas komt. Daarbij wijst eiseres erop dat zij momenteel niet mag werken en niet kan aantonen dat zij in de toekomst daadwerkelijk arbeid zal gaan verrichten, maar dat zij wel graag wil werken. Gelet op het arrest Chakroun [4] had het op de weg van verweerder gelegen om het middelenvereiste niet tegen te werpen en af te wijken van het beleid. In de belangenafweging is ook ten onrechte niet betrokken of eiseres warme en hechte banden heeft met haar familie in Rusland, nu verweerder heeft overwogen dat referent een band kan opbouwen met de familie van eiseres. Dat referent banden kan opbouwen met de familie van eiseres betreft bovendien een onzekere gebeurtenis. Tot slot heeft eiseres een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat zij zwanger is en dat de uitgerekende datum is vastgesteld op 27 januari 2026. Daarbij heeft zij toegelicht dat referent de vader is van het (Nederlandse) kind.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Bestuurlijke heroverweging
4. Eiseres wordt niet gevolgd in haar stelling dat het bestreden besluit geen blijk geeft van een volledige heroverweging. Verweerder is in het bestreden besluit expliciet ingegaan op de bezwaargronden van eiseres en heeft gemotiveerd waarom het bezwaar van eiseres niet leidt tot een ander besluit. Zoals verweerder ook heeft overwogen, bevat het bestreden besluit overwegingen in aanvulling op, dan wel in afwijking van het primaire besluit. Hieruit blijkt wel degelijk dat verweerder een volledige heroverweging heeft gemaakt in bezwaar.
Turkse nationaliteit
5. Ter zitting heeft referent aan de rechtbank zijn Turkse paspoort getoond. Daarmee is voldoende aannemelijk gemaakt dat referent de Turkse nationaliteit heeft. Dit maakt echter niet dat eiseres vrijgesteld dient te worden van het mvv-vereiste. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit namelijk terecht op het standpunt gesteld dat referent geen werknemer is als bedoeld in Besluit 1/80 [5] en dat hij ook geen zelfstandige is als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. [6] Eiseres heeft dit niet betwist. Verweerder heeft gelet daarop dan ook terecht overwogen dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb. [7]
Belangenafweging
6. Verweerder heeft aangenomen dat sprake is van gezinsleven en dat eiseres een kerngezinslid is van referent in de zin van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Verweerder heeft vervolgens een belangenafweging gemaakt. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de belangenafweging heeft gemaakt op grond van artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn en dat is afgezien van het maken van een belangenafweging op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft daarbij toegelicht dat de belangenafweging op grond van artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn bij kerngezinsleden, zoals eiseres, gunstiger is dan de belangenafweging op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. De door verweerder gemaakte belangenafweging kan daarom ook gelden als een belangenafweging op grond van artikel 8 van Pro het EVRM.
7. De rechtbank stelt voorop dat zij het bestreden besluit
ex tunctoetst, wat betekent dat het bestreden besluit wordt beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. De zwangerschap van eiseres heeft verweerder niet bij de belangenafweging betrokken, nu eiseres pas na het bestreden besluit zwanger is geworden. Deze omstandigheid kan gelet op de ex tunc-toets ook niet bij het beroep worden betrokken.
8. Verweerder heeft bij de belangenafweging in het nadeel van eiseres betrokken dat niet aan het mvv-vereiste en het middelenvereiste wordt voldaan. In het kader van het middelenvereiste is overwogen dat referent een Wajong-uitkering heeft en daarmee een beroep doet op de sociale bijstand. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet voldoet aan de in paragraaf B7/2.1.1. van de Vc [8] neergelegde norm op basis waarvan een referent met een Wajong-uitkering vrijgesteld kan worden van het middelenvereiste. Dat referent meent dat hij mogelijk in feite wel onder de norm valt maar zich om hem moverende redenen niet laat herkeuren, doet daaraan niet af. Verweerder heeft in dit kader ook in het nadeel van eiseres kunnen betrekken dat referent niet bereid is of inspanningen verricht om zijn inkomen aan te vullen met inkomen uit arbeid, hoewel hij daarvoor volgens het UWV wel arbeidsvermogen heeft. Dat eiseres stelt dat zij in de toekomst arbeid wil gaan verrichten, heeft verweerder terecht als onzekere gebeurtenis aangemerkt. Dit maakt dan ook niet dat het economisch belang in het voordeel van eiseres had moeten worden betrokken. De stelling dat eiseres op basis van het arrest Chakroun alsnog vrijgesteld diende te worden van het middelenvereiste, heeft verweerder niet hoeven volgen. Verweerder heeft terecht overwogen dat het beroep op het arrest Chakroun niet slaagt, nu het gehele inkomen van referent wordt betaald uit publieke middelen. Ook heeft verweerder bij de belangenafweging in het nadeel van eiseres kunnen betrekken dat eiseres en referent het gezinsleven hebben geïntensiveerd zonder dat eiseres in het bezit is van een verblijfsrecht in Nederland. Niet ten onrechte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze intensivering van de relatie in enige mate voor rekening en risico van eiseres komt. Daarnaast heeft verweerder de banden van eiseres met Nederland niet zwaar mee hoeven wegen in de belangenafweging, nu haar verblijf in Nederland – afgezet tegen de lengte van haar verblijf in Rusland – kort is. Verder heeft verweerder kunnen overwegen dat eiseres en referent weliswaar een goede band hebben met de familie van referent, maar dat deze band niet maakt dat de belangenafweging in het voordeel van eiseres dient uit te vallen. In dat kader heeft verweerder kunnen overwegen dat van referent verwacht mag worden dat hij een band met de familie van eiseres in Rusland opbouwt. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat dit onmogelijk zal zijn vanwege het autisme van referent. De vraag of eiseres reeds een hechte band heeft met haar familieleden in Rusland heeft verweerder, anders dan eiseres stelt, niet bij de belangenafweging hoeven betrekken, nu dit onverlet laat dat eiseres en referent deze band kunnen opbouwen. Verweerder heeft in de belangenafweging ook expliciet de situatie van referent betrokken. Daarbij heeft verweerder in het voordeel van eiseres betrokken dat het voor referent mogelijk moeilijker zal zijn om zich elders te vestigen dan voor iemand anders, temeer nu hij in Nederland ook afhankelijk is van financiële voorzieningen die in Rusland zouden wegvallen. Verweerder heeft terecht overwogen dat daar tegenover staat dat niet is aangetoond of gebleken is dat het niet mogelijk is voor eiseres en referent om samen in Rusland te wonen. Ook geldt dat eiseres niet heeft onderbouwd dat referent voor zijn medische behandelingen is gebonden aan Nederland. Er is aldus niet gebleken van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Rusland uit te oefenen. De stelling dat deze overwegingen in strijd zijn met de rechten van referent als Nederlander, wordt niet gevolgd. Verweerder heeft terecht overwogen dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat referent niet in Rusland kan verblijven bij eiseres ligt. In zijn verweerschrift heeft verweerder tot slot terecht erop gewezen dat geen verplichting voor referent bestaat om met eiseres naar Rusland te vertrekken.
9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder alle feiten en omstandigheden in samenhang bezien en heeft hij voldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt.
Hardheidsclausule [9]
10. Verder heeft verweerder in redelijkheid kunnen overwegen dat geen sprake is van bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden op grond waarvan eiseres een geslaagd beroep kan doen op de hardheidsclausule. Verweerder heeft zich ten aanzien van het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over Rusland terecht op het standpunt gesteld dat dit reisadvies alleen geldt voor Nederlanders en dat eiseres en referent niet hebben onderbouwd welke in het reisadvies genoemde veiligheidsrisico’s concreet op hen van toepassing zijn. De enkele stelling van eiseres dat deze bewijslast onredelijk is, wordt niet gevolgd. Het is in ieder geval niet onredelijk om enige concretisering en onderbouwing van de gestelde onveiligheid in Rusland te vragen. De stelling van eiseres dat referent gebonden is aan Nederland in verband met zijn uitkering, zijn medische behandelingen en zijn autisme heeft verweerder niet hoeven volgen. Ten aanzien van de uitkering van referent heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiseres in Rusland ook aan middelen van bestaan kan komen, nu zij gerechtigd is om daar te werken en ook bereid stelt te zijn om te werken. Daarnaast kan de financiële steun die referent van zijn familie krijgt ook op afstand worden voortgezet. Ten aanzien van de medische situatie van referent heeft verweerder, zoals reeds onder 8 is geoordeeld, terecht overwogen dat niet is onderbouwd dat referent voor zijn behandelingen is gebonden aan Nederland.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond.
12. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 21 januari 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Richtlijn 2003/86/EG.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
4.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:117.
5.Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije, Trb. 1964, 217.
6.Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG/Turkije, Trb. 1971, 70.
7.Vreemdelingenbesluit 2000.
8.Vreemdelingencirculaire 2000.
9.Neergelegd in artikel 3.71, derde lid, van het Vb.