ECLI:NL:RBDHA:2026:9786
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- N. van Luijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na uitspraak op beroep
Deze zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening in een bestuursrechtelijke procedure over een asielaanvraag. Verzoekster, samen met haar minderjarige kinderen, had een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie was afgewezen. Verzoekster was het niet eens met deze afwijzing en stelde beroep in bij de rechtbank.
Op 10 april 2026 vond de zitting plaats waarin het verzoek om voorlopige voorziening werd behandeld. Zowel verzoekster, haar gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister waren hierbij aanwezig. De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld en geconcludeerd dat nu de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan op het beroep, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter N. van Luijk en griffier D.G. van den Berg en is openbaar gemaakt op 23 april 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank inmiddels uitspraak heeft gedaan op het beroep.