Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9780

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
NL26.20303
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.R. van der Winkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 59 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige voortzetting van vreemdelingenbewaring wegens onjuiste wettelijke grondslag

Eiser is op 15 januari 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister verlengde de bewaring op 3 februari 2026 met toepassing van artikel 59b, derde lid, maar baseerde deze verlenging op een andere wettelijke grondslag (artikel 59b, eerste lid, onder a) dan de oorspronkelijke.

De rechtbank oordeelt dat deze wijziging van grondslag niet als verlenging kan worden aangemerkt en dat de maatregel vanaf 3 februari 2026 onrechtmatig is voortgezet. Eiser had recht op schadevergoeding voor de onrechtmatige vrijheidsontneming.

De rechtbank kent een schadevergoeding toe van €8.760,- voor 73 dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten van €1.868,-. De uitspraak is definitief en er is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de Staat tot betaling van schadevergoeding wegens onrechtmatige voortzetting van vreemdelingenbewaring.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20303 (maatregel van bewaring van 15 januari 2016)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua,
en

de minister van Asiel en Migratie,

gemachtigde: drs. J.P.M. Wuite.

Procesverloop

De minister heeft op 15 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 17 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven en aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2008.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 februari 2026 in de zaak NL26.3312 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek 29 januari 2026.
4. Eiser voert aan dat hij sinds 15 januari 2026 in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid onder b van de Vreemdelingenwet. Bij beschikking van 3 februari 2026 is de vreemdelingenbewaring verlengd met 3 maanden op grond van artikel 59b, derde lid jo, artikel 59b, eerste lid onder a van de Vreemdelingenwet, omdat er nog onderzoek nodig is naar de identiteit en nationaliteit. Eiser stelt dat nu de minister de identiteitsgegevens heeft overgenomen van Zwitserland en er op 2 maart 2026 een laissez-passer aanvraag naar de Algerijnse autoriteiten gezonden er geen onderzoek meer nodig is naar de identiteit en nationaliteit van eiser. Volgens eiser is dan ook ten onrechte op deze grond de maatregel van bewaring met 3 maanden verlengd en zou deze per ommegaande
opgeheven dienen te worden.
4.1
Ambtshalve toetsend overweegt de rechtbank als volgt. Vanaf het verlengingsbesluit van 3 februari 2026– waarbij ook de asielaanvraag van eiser is afgewezen als kennelijk ongegrond en waartegen eiser beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingesteld – berust de maatregel van bewaring op artikel 59b, derde lid, van de Vw. Artikel 59b, derde lid, van de Vw luidt als volgt:
De bewaring krachtenshet
eerste lid, onderdeel a, b of c, kan worden verlengd met ten hoogste drie maanden indien de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder h.
4.2
Een verlenging van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw moet naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de bewoordingen van die bepaling, worden aangemerkt als een voortduring van de maatregel van bewaring op
dezelfde wettelijke grondslag(cursivering rechtbank) als waarop die is opgelegd. De maatregel van bewaring is op 15 januari 2026 opgelegd op de wettelijke grondslagen van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw [1] . In het verlengingsbesluit staat echter dat de maatregel van bewaring, met toepassing van artikel 59b, derde lid, van de Vw, wordt verlengd op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Op deze wettelijke grondslag was de maatregel van bewaring van 15 januari 2026 echter niet gebaseerd. Met het verlengingsbesluit heeft de minister de maatregel van bewaring dus laten voortduren op een andere wettelijke grondslag dan de grondslag waarop de maatregel van bewaring oorspronkelijk was gebaseerd. Naar het oordeel van de rechtbank biedt artikel 59b, derde lid, van de Vw hiervoor geen basis. Het omzetten van de maatregel naar een andere wettelijke grondslag kan niet worden aangemerkt als ‘verlengen’, in de zin van artikel 59b, derde lid, van de Vw. Indien de minister de maatregel op een andere wettelijke grondslag had willen baseren, had hij een nieuwe maatregel moeten opleggen en niet de maatregel moeten verlengen met toepassing van artikel 59b, derde lid, van de Vw.
4.3
Uit het voorgaande volgt dat de maatregel van bewaring vanaf het moment van het verlengingsbesluit van 3 februari 2026 heeft voortgeduurd op een onjuiste wettelijke grondslag. Dit betekent dat de maatregel van bewaring vanaf 3 februari 2026 onrechtmatig heeft voortgeduurd. Het beroep is gegrond. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd hoeft geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring van 15 januari 2026 is met ingang van 3 februari 2026 onrechtmatig.
6. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 73 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregelen van 73 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 8.760,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierbij af te wijken van de standaardmatig toegekende bedragen.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 8.760,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.vgl. de Afdelingsuitspraak van 13 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1528, r.o. 14