ECLI:NL:RBDHA:2026:9777
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel in vreemdelingenbewaring en schadevergoeding
Bij besluit van 31 maart 2026 is aan eiseres een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank overwoog dat de maatregel inmiddels was opgeheven, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging onrechtmatig was geweest. Eiseres stelde dat de maatregel uiterlijk op 8 april 2026 had moeten worden opgeheven vanwege voldoende informatie over haar situatie en emotionele kwetsbaarheid.
De rechtbank volgde dit niet en oordeelde dat verweerder niet verplicht was om voorafgaand aan het nader gehoor een pré-toets te verrichten en dat een redelijke termijn voor onderzoek moest worden gegeven. Het nader gehoor vond plaats op 10 april 2026, waarna op 11 april 2026 de maatregel werd opgeheven. Dit werd als voldoende voortvarend beschouwd.
De rechtbank zag geen aanwijzingen dat de maatregel onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.