De zaak betreft een verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, ingediend door de gecertificeerde instelling (GI). Na eerdere spoedbeschikkingen en aanhoudingen is de procedure voortgezet met een zitting op 4 maart 2026. De GI handhaaft het verzoek vanwege zorgen over de opvoedsituatie bij de vader, die ernstig ziek is en zich niet aan omgangsafspraken houdt, en vanwege bedreigingen richting pleegouders.
De vader betwist de beschuldigingen en stelt dat de minderjarige beter af is bij de moeder, die eveneens aangeeft goed voor het kind te kunnen zorgen. De rechtbank heeft in een gerelateerde procedure het hoofdverblijf van de minderjarige bij de moeder vastgesteld. De kinderrechter concludeert dat de wettelijke gronden voor voortzetting van de uithuisplaatsing niet aanwezig zijn, mede gelet op observaties van de GI en een rapportage van een instantie die opvoedvaardigheden van de moeder beoordeelde.
Hoewel er enkele aandachtspunten zijn, acht de rechtbank deze onvoldoende voor een uithuisplaatsing. De machtiging wordt daarom verleend tot 15 mei 2026 om een begeleide overgang naar de moeder mogelijk te maken, waarna de uithuisplaatsing wordt beëindigd. Hulpverlening aan de moeder wordt aanbevolen om haar opvoedvaardigheden te versterken.