ECLI:NL:RBDHA:2026:9726
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen afwijzing asielaanvraag
Verzoeker heeft op 1 oktober 2024 een opvolgende aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag op 5 augustus 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met de beroepszaak op 4 februari 2026 behandeld. Tijdens de zitting waren verzoeker, zijn waarnemer, de gemachtigde van de minister en een tolk aanwezig.
Op 17 april 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.37217). Omdat de hoofdzaak is afgerond, acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig en wijst het verzoek af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de asielaanvraag is afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.