In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter op 20 april 2026 uitspraak gedaan over het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een dakopbouw op een woning. Het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk had de vergunning op 22 mei 2025 verleend en het bezwaar van verzoeker op 18 september 2025 ongegrond verklaard. Verzoeker stelde beroep in en de rechtbank had in een tussenuitspraak van 4 februari 2026 geconstateerd dat het bestreden besluit niet zorgvuldig was voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
Na de tussenuitspraak was vergunninghouder gestart met de werkzaamheden, waarop verzoeker op 7 april 2026 een voorlopige voorziening vroeg. De voorzieningenrechter had op 8 april 2026 een ordemaatregel getroffen die het gebruik van de vergunning tijdelijk verbood. Tijdens de zitting op 20 april 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen en de ordemaatregel opgeheven.
De voorzieningenrechter motiveerde dat het belang van vergunninghouder bij voortzetting van de werkzaamheden zwaarder weegt dan het belang van verzoeker bij stillegging. De hoofdregel is dat een omgevingsvergunning in werking treedt bij verlening en niet geschorst wordt tijdens een beroepsprocedure. Eventuele schaduwhinder en andere bezwaren van verzoeker rechtvaardigen geen schorsing, mede omdat de zonnepanelen nog niet aanwezig zijn en de werkzaamheden niet in strijd met wetgeving zijn gestart.
De uitspraak heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in het bodemgeding, waar binnen zes weken een uitspraak wordt verwacht. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.