ECLI:NL:RBDHA:2026:9677
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen staandehouding wegens niet tonen identiteitsbewijs en illegaal verblijf
Eiser, met de Sierra Leoonse nationaliteit, werd op 29 maart 2026 in Amsterdam staande gehouden en opgehouden omdat hij geen identiteitsbewijs kon tonen na een melding van een mogelijke inbraak. Na afname van vingerafdrukken bleek hij niet rechtmatig in Nederland te verblijven, waarna hij op grond van de Vreemdelingenwet werd opgehouden.
Eiser stelde dat de aanhouding onrechtmatig was en neerkwam op verkapt vreemdelingentoezicht, mede omdat hij meende dat de politie handelde op basis van zijn huidskleur zonder redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Verweerder betwistte dit en stelde dat de politie handelde binnen haar reguliere politietaak en dat de ophouding rechtmatig was.
De rechtbank oordeelde dat de aanhouding plaatsvond in het kader van strafrechtelijk optreden naar aanleiding van een mogelijke inbraak en dat het niet kunnen tonen van een identiteitsbewijs een redelijke grond vormde voor ophouding. Er was sprake van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, waardoor geen sprake was van verkapt vreemdelingentoezicht.
De rechtbank benadrukte dat zij de rechtmatigheid van de staandehouding niet kon toetsen omdat dit buiten haar bevoegdheid valt tenzij sprake is van verkapt vreemdelingentoezicht, wat hier niet het geval was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de staandehouding en ophouding van eiser wordt ongegrond verklaard omdat de ophouding rechtmatig was.