Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9677

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
NL26.19813
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 VwArt. 50, tweede lid VwArt. 50a VwArt. 447e SrArt. 2 Wet op de identificatieplicht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen staandehouding wegens niet tonen identiteitsbewijs en illegaal verblijf

Eiser, met de Sierra Leoonse nationaliteit, werd op 29 maart 2026 in Amsterdam staande gehouden en opgehouden omdat hij geen identiteitsbewijs kon tonen na een melding van een mogelijke inbraak. Na afname van vingerafdrukken bleek hij niet rechtmatig in Nederland te verblijven, waarna hij op grond van de Vreemdelingenwet werd opgehouden.

Eiser stelde dat de aanhouding onrechtmatig was en neerkwam op verkapt vreemdelingentoezicht, mede omdat hij meende dat de politie handelde op basis van zijn huidskleur zonder redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Verweerder betwistte dit en stelde dat de politie handelde binnen haar reguliere politietaak en dat de ophouding rechtmatig was.

De rechtbank oordeelde dat de aanhouding plaatsvond in het kader van strafrechtelijk optreden naar aanleiding van een mogelijke inbraak en dat het niet kunnen tonen van een identiteitsbewijs een redelijke grond vormde voor ophouding. Er was sprake van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, waardoor geen sprake was van verkapt vreemdelingentoezicht.

De rechtbank benadrukte dat zij de rechtmatigheid van de staandehouding niet kon toetsen omdat dit buiten haar bevoegdheid valt tenzij sprake is van verkapt vreemdelingentoezicht, wat hier niet het geval was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de staandehouding en ophouding van eiser wordt ongegrond verklaard omdat de ophouding rechtmatig was.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19813

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Toonders).

Procesverloop

Verweerder heeft eiser op 29 maart 2026 om 16:25 uur opgehouden. Op 29 maart 2026 omstreeks 21:30 uur is de vrijheidsbeneming van eiser beëindigd op grond van artikel 50 dan Pro wel artikel 50, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waarna hij is heengezonden met een meldplicht.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de ophouding.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met een schriftelijke behandeling van het beroep. Op 13 april 2026 zijn er beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op 13 april 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 16 april 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1966 en de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben.
2. Eiser stelt dat zijn strafrechtelijke aanhouding onrechtmatig was en feitelijk neerkwam op verkapt vreemdelingentoezicht. Volgens hem bestond, nadat was vastgesteld dat geen sprake was van een inbraak, geen reden meer om naar een identiteitsbewijs te vragen. Hij voert aan dat dit toch is gebeurd zonder redelijk vermoeden van illegaal verblijf en enkel vanwege zijn huidskleur, zodat sprake zou zijn van discriminatie en daarmee van een onrechtmatige staandehouding.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van verkapt vreemdelingentoezicht, omdat de politie handelde naar aanleiding van een melding van een mogelijke inbraak en binnen hun reguliere politietaak om identificatie mocht vragen. Dat later bleek dat geen strafbaar feit was gepleegd, doet daar volgens verweerder niet aan af. Omdat eiser geen identiteitsdocument kon tonen, mocht vervolgens zijn verblijfsrechtelijke positie worden onderzocht. De stelling dat sprake was van discriminatie wordt door verweerder uitdrukkelijk betwist. Volgens verweerder is de ophouding daarom rechtmatig en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank stelt vast dat uit het in het dossier aanwezige proces-verbaal PL1300-2026078182-6 van 29 maart 2026 blijkt dat eiser op 29 maart 2026 omstreeks 16.25 uur in Amsterdam op heterdaad is aangehouden wegens het niet kunnen tonen van een identiteitsbewijs, als bedoeld in artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2 van Pro de Wet op de identificatieplicht. Na afname van zijn vingerafdrukken werd hij herkend in de BVID [1] -zuil, maar hij heeft nooit een identiteitsdocument overgelegd zodat zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Omdat daarnaast al tijdens het strafrechtelijk traject uit raadpleging van de landelijke politiesystemen was gebleken dat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef, is hij in oponthoud genomen, waarna eiser aansluitend op grond van artikel 50, tweede lid, dan wel artikel 50a van de Vreemdelingenwet 2000 is overgenomen en opgehouden.
5. De rechtbank overweegt allereerst dat uit voornoemde stukken volgt dat de aanhouding heeft plaatsgevonden in het kader van strafrechtelijk optreden wegens de melding van een mogelijke inbraak, waarbij tevens is gevraagd om een identiteitsbewijs, wat eiser vervolgens niet kon tonen. Dat het vermoeden van inbraak nadien is weggevallen, maakt dit niet anders. Uit de stukken blijkt verder voldoende dat de daaropvolgende ophouding heeft plaatsgevonden omdat de identiteit van eiser niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat daarbij sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf en ziet daarom geen grond voor het oordeel dat sprake is van een verkapte vreemdelingrechtelijke aanhouding.
6. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [2] volgt dat het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken is om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. Dit is alleen anders als de strafrechter hierover al een oordeel heeft gegeven of als sprake is van verkapt vreemdelingentoezicht. Daarvan is in deze zaak echter geen sprake. Dit betekent dat de rechtbank de staandehouding van eiser in deze procedure niet op rechtmatigheid kan beoordelen. De ophouding was gelet op wat hiervoor is overwogen niet onrechtmatig.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 21 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Basis Voorziening Identiteitsvaststelling.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 27 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:274, en 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190.