Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9658

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
NL26.17100, NL26.18501 en NL26.17101
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 VwArt. 94 VwArt. 96 VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen verlenging maatregel van bewaring vreemdeling

Eiser, een Nepalese vreemdeling, is op 8 september 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is op 3 maart 2026 met maximaal twaalf maanden verlengd. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de maatregel en het verlengingsbesluit, met een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek en concludeerde dat de verlenging gerechtvaardigd is op basis van voldoende gronden, waaronder het risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld bij het streven naar uitzetting, ondanks enkele geannuleerde presentaties bij de Nepalese autoriteiten.

Eiser voerde aan dat er geen verzwaarde belangenafweging in het verlengingsbesluit was gemaakt en dat de duur van de detentie onredelijk was. De rechtbank stelde dat een aparte verzwaarde belangenafweging in het verlengingsbesluit niet vereist is en dat de duur van de bewaring binnen de wettelijke grenzen valt. Ook is geen sprake van een reëel risico op refoulement. Het beroep tegen de kennisgeving van verlenging werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep reeds was beoordeeld.

De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en sprak geen proceskostenveroordeling uit.

Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.17100 (beroep verlenging), NL26.18501 (kennisgeving) en NL26.17101 (vervolgberoep)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Verweerder heeft 8 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Bij besluit van 3 maart 2026 heeft verweerder de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel en tegen het verlengingsbesluit beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft op 31 maart 2026 de rechtbank in kennis gesteld dat de maatregel met ten hoogste twaalf maanden is verlengd. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een beroep en is geregistreerd onder het zaaknummer NL26.18501.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen C. Boelens - Karki. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek na de behandeling ter zitting geschorst en partijen de gelegenheid gegeven tot het geven van een nadere reactie. Eiser heeft op 10 april 2026 een nadere reactie toegevoegd aan het dossier. Verweerder heeft dit op 13 april 2026 gedaan.
Met toestemming van partijen is afgezien van een tweede zitting en de rechtbank heeft het onderzoek op 13 april 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Nepalese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Via artikel 94, zevende lid, eerste volzin, van die wet geldt hetzelfde voor het verlengingsbesluit. Voor de verlenging van de maatregel van bewaring geldt verder dat deze maatregel na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 25 februari 2026 (in de zaak NL26.6108) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
Zijn er voldoende gronden voor bewaring?
4. Verweerder heeft aan het verlengingsbesluit de navolgende gronden voor bewaring uit artikel 5.1b van het Vb ten grondslag gelegd, te weten de zware gronden dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek.
en de lichte gronden dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat de zware grond onder 3a, en de lichte gronden onder 4c en 4d niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarop gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen, nu deze gronden al voldoende zijn om ten aanzien van eiser het risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht aan te nemen. Gelet hierop hoeft de door eiser bestreden grond geen bespreking meer.
De duur van de detentie in het licht van de (verzwaarde) belangenafweging, het zicht op uitzetting en de voortvarendheid
6. De gronden die zijn aangevoerd in het vervolgberoep komen in grote lijnen overeen met de gronden die zijn aangevoerd tegen het verlengingsbesluit. De rechtbank bespreekt de beroepsgronden daarom in samenhang.
7. Eiser voert aan dat er in het verlengingsbesluit geen (verzwaarde) belangenafweging is gemaakt. In de M120 heeft wel een verzwaarde belangenafweging plaatsgevonden maar deze dateert van 30 december 2025 en is niet meer actueel. Ook heeft verweerder te weinig rekening gehouden met de duur van de detentie. Eiser wijst erop dat op 27 januari 2026 een presentatie bij de Nepalese autoriteiten stond gepland, die is geannuleerd omdat hij ziek was. De vervolgens voor 24 maart 2026 geplande presentatie is eveneens geannuleerd, nu vanwege afwezigheid van de consul. Hij vind dat niet valt in te zien waarom het inplannen van een presentatie zolang moet duren aangezien er weinig lp [1] -aanvragen lopen bij de Nepalese autoriteiten. Dit is volgens hem niet voldoende voortvarend. Van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn kan gelet op de lange duur ook niet meer worden gesproken, aldus eiser.
8. Verweerder stelt terecht dat hij niet gehouden was in het verlengingsbesluit een (aparte) verzwaarde belangenafweging te maken. In de uitspraak van de Afdeling [2] van
24 december 2019 [3] staat dat verweerder in het verlengingsbesluit conform het beleid in paragraaf A5/6.8 van de Vc moet nagaan of er is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onredelijk bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat. De Afdeling overweegt verder dat in het verlengingsbesluit niet nog een aparte verzwaarde belangenafweging dient plaats te vinden.
9. Uit de voortgangsrapportage van 30 maart 2026 volgt dat verweerder
meest recent op 12 maart 2026 schriftelijk bij de Nepalese autoriteiten heeft geïnformeerd naar de voortgang van het lp-verzoek. De eerder geplande presentaties zijn door omstandigheden niet doorgegaan, maar een nieuwe presentatie staat gepland voor
21 april 2026. Ter zitting heeft verweerder nog aangegeven dat is geprobeerd om de presentatie zo snel mogelijk te plannen, maar voor het inplannen van een nieuwe presentatie is verweerder afhankelijk van de Nepalese autoriteiten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende voortvarend gehandeld en is er nog voldoende zicht op uitzetting aanwezig en dient verweerder vooralsnog in de gelegenheid te worden gesteld het resultaat van het lp-verzoek af te wachten.
10. Verder blijkt uit de verslagen van de vertrekgesprekken dat eiser, ondanks de op hem rustende verplichting om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen, geen concrete actie heeft ondernomen om het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit te bespoedigen. Naar het oordeel van de rechtbank komt de langere duur van de bewaring dan ook voor rekening en risico van eiser.
11. Tijdens de zitting gaf eiser aan dat hij problemen heeft in Nepal en niet veilig kan terugkeren. Bij uitspraak van de 12 februari 2026 [4] heeft de Afdeling geoordeeld dat als een vreemdeling heeft aangevoerd dat het beginsel van non-refoulement zich tegen zijn of haar uitzetting verzet, verweerder deze vreemdeling pas na de uitspraak van de rechtbank op het beroep tegen de maatregel van bewaring mag uitzetten, als de rechter tot de conclusie is gekomen dat er geen risico op refoulement dreigt. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangegeven dat zij eisers asielzaak niet heeft behandeld en niet bekend is met het feit of eisers verklaringen nieuwe feiten en omstandigheden betreffen. De gemachtigde van eiser heeft bij bericht van 10 april 2026 laten weten dat eiser heeft aangegeven dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden ten opzichte van de asielaanvraag van 2025. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat wat eiser aanvoert geen reden geeft om aan te nemen dat er een refoulementrisico is.
12. Als een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat en verweerder voortvarend werkt aan de verwijdering, is de duur van de bewaring een element dat bij de belangenafweging moet worden betrokken. De bewaring mag volgens het geldende recht maximaal achttien maanden duren. Dit betekent echter niet dat de bewaring in alle gevallen ook achttien maanden mag voortduren. Naarmate de bewaring langer voortduurt, wordt het belang van betrokkene om in vrijheid te worden gesteld groter. In het licht van wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat aan het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij invrijheidsstelling. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de bewaring mocht voortzetten en met ten hoogste twaalf maanden mocht verlengen.
12. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de kennisgeving onnodig heeft gedaan, omdat eiser zelf al op 27 maart 2026 beroep tegen het voortduren van de bewaring heeft ingesteld. Omdat het beroep tegen de maatregel al op grond van het beroepschrift in de zaak met nummer NL26.17100 is beoordeeld, bestaat voor partijen geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep dat is ontstaan als gevolg van de door verweerder ingediende kennisgeving. De rechtbank zal het beroep in de zaak met nummer NL26.18501 daarom niet-ontvankelijk verklaren.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaak met nummer NL26.17100 en NL26.17101 ongegrond;
- verklaart het beroep in de zaak met nummer NL26.18501 niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af..
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
N. Mekenkamp, griffier.De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist over het verlengingsbesluit hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist over het voortduren van de bewaring geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Laissez-passer
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
3.Zie uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4460.
4.Zie uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.