Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9654

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
NL26.34176
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 83 VwArt. 4, tweede lid, KwalificatierichtlijnArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid problemen met Taliban

Eiser, van Afghaanse nationaliteit, diende op 21 juli 2022 een asielaanvraag in die door de minister op 16 juli 2025 werd afgewezen. Eiser voerde aan dat hij problemen had met de Taliban vanwege zijn vrijwilligerswerk, mishandeling en familieomstandigheden. De rechtbank behandelde het beroep op 13 maart 2026.

De rechtbank oordeelt dat de minister de identiteit en herkomst van eiser geloofwaardig acht, evenals zijn deelname aan een vaccinatieprogramma. Echter, de minister vond de problemen met de Taliban vanwege het vrijwilligerswerk en de toespraak van zijn vader ongeloofwaardig. De rechtbank neemt aanvullende stukken mee, ondanks dat deze laat zijn ingediend.

Eiser stelde dat zijn broer slachtoffer was van mishandeling en dat activiteiten van zijn broer aan hem zouden worden toegedicht, maar de rechtbank vindt dat de minister dit element terecht heeft betrokken bij de beoordeling. De minister mocht de verklaringen van eiser over de wijze waarop de Taliban op de hoogte raakte van zijn activiteiten als tegenstrijdig en onvoldoende onderbouwd beoordelen.

Ook de beweringen over de toespraak van zijn vader en de bezoeken van Taliban-commandant aan zijn schoonouders werden door de minister en rechtbank als onvoldoende aannemelijk beoordeeld. De rechtbank concludeert dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34176

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek)
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat de problemen van eiser met de Taliban en met commandant [naam 1] ongeloofwaardig zijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 21 juli 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 juli 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. [naam 2] als waarnemer van de gemachtigde van eiser,
[naam 3] als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is het asielrelaas van eiser?
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Toen eiser in 2020 twee dagen meewerkte aan een vaccinatieprogramma voor kinderen is hij mishandeld door leden van de Taliban. Verder is eiser getrouwd met [naam 4], met wie commandant [naam 1] van de Taliban uit het district [locatie] had willen trouwen. Eiser en zijn echtgenote zijn hierna naar [plaats] vertrokken. Als reactie hierop is [naam 1] bij eisers schoonouders langs geweest en is zijn schoonvader mishandeld. Ook is de Taliban op zoek naar eiser, omdat zijn vader een toespraak heeft gehouden tegen de Taliban. Tot slot heeft eiser vrijwilligerswerk gedaan voor de [organisatie] (hierna: [organisatie]). Dit is de organisatie waar ook zijn broer werkzaam voor was. Zijn broer is hierom naar Nederland gehaald. Na het vertrek van de familie uit [plaats], hebben leden van de Taliban twee huiszoekingen gedaan op zoek naar eiser, zijn broer en zijn vader.
Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit?
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
-identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
-problemen met de Taliban;
-problemen met [naam 1].
4.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. Ook de problemen met de Taliban vanwege deelname aan het vaccinatieprogramma voor kinderen gelooft de minister. De gestelde problemen met de Taliban vanwege eisers vrijwilligerswerk voor [organisatie] en vanwege de toespraak van zijn vader vindt de minister echter ongeloofwaardig. Ook de problemen met [naam 1] gelooft de minister niet. De minister stelt zich tot slot op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of voor een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Neemt de rechtbank de aanvullende beroepsgronden en onvertaalde stukken mee in haar beoordeling?
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank overweegt dat in haar uitnodigingsbrief aan partijen staat opgenomen dat aanvullende stukken tot tien dagen voor de zitting kunnen worden ingediend. Wanneer de rechtbank op een later tijdstip nog stukken ontvangt, kan de rechtbank beslissen om bij haar beoordeling geen rekening te houden met die stukken. De rechtbank stelt vast dat eiser later dan tien dagen voor de zitting aanvullende gronden en onvertaalde stukken heeft ingediend. Gelet op artikel 83 Vw Pro neemt de rechtbank deze gronden en stukken wel mee in haar beoordeling. De procesorde verzet zich hier niet tegen, omdat tijdens de zitting is gebleken dat eiser de stukken heeft overgelegd om een al eerder door hem ingenomen standpunt te onderbouwen. Ook heeft de minister tijdens de zitting kunnen reageren op de aanvullende gronden en de stukken.
Heeft de minister ten onrechte geen rekening gehouden met het element van toegedichte activiteiten in het bestreden besluit?
Wat betoogt eiser?
6. Eiser betoogt tijdens de zitting dat de activiteiten van zijn broer aan hem zullen worden toegedicht bij terugkeer naar Afghanistan. Eiser heeft immers dezelfde achternaam als zijn broer. Daarnaast is eisers jongere broer, met dezelfde achternaam, bij terugkeer naar Afghanistan slachtoffer geworden van mishandeling door een aantal Talibanleden. De minister heeft ten onrechte geen rekening gehouden met dit element bij de beoordeling van eisers asielaanvraag. De minister moet alle relevante elementen van het asielrelaas beoordelen [2] .
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6.1.
De rechtbank overweegt dat de minister in het bestreden besluit de relevante asielmotieven van eiser opsomt. De minister heeft het element van toegedichte activiteiten daar niet ten onrechte weggelaten. Dit element ligt namelijk in het verlengde met wat eiser eerder heeft aangevoerd over zijn problemen met de Taliban en wat wel door de minister is beoordeeld. De rechtbank betrekt de verklaringen over de recente gebeurtenis wat betreft zijn jongere broer bij de beantwoording van de vraag of de minister eisers problemen met de Taliban ongeloofwaardig mocht vinden. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister eisers problemen met de Taliban ongeloofwaardig mogen vinden?
Wat betoogt eiser?
7. Eiser voert aan dat hij niet op voorhand kon weten welke verklaringen de minister onlogisch zou vinden. Daarom is het hem niet te verwijten dat hij pas na het voornemen een nadere toelichting geeft over hoe de buren en de Taliban over zijn werkzaamheden voor [organisatie] te weten zijn gekomen. Daarnaast is het volgens eiser te toevallig dat er precies op de dag van de toespraak van zijn vader door de Taliban bij eisers tante naar zijn vader is geïnformeerd. Eiser betoogt verder dat uit het algemeen ambtsbericht de willekeur van het handelen van de Taliban blijkt. Tegen deze achtergrond kan van eiser niet verwacht worden dat hij een, voor de minister, logische verklaring kan geven voor het handelen van de Taliban. Tot slot voert eiser aan dat zijn jongere broer, die is teruggekeerd uit Iran, tegelijkertijd met zijn vader is mishandeld door Talibanleden bij het ouderlijke huis in [plaats]. Zonder ingrijpen van de buren had dit ernstige gevolgen kunnen hebben. Dit maakt het aannemelijk dat al zijn familieleden, inclusief hijzelf, vanwege de activiteiten van zijn broer, te vrezen hebben voor de Taliban. Ter onderbouwing van dit laatste incident heeft eiser de onvertaalde handgeschreven verklaringen van vier buren en de zwager van eisers vader overgelegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom eisers problemen met de Taliban vanwege zijn werkzaamheden voor [organisatie] ongeloofwaardig zijn. Het volgende is daarvoor redengevend.
8.1.
Eiser heeft niet duidelijk gemaakt hoe de Taliban op de hoogte is geraakt van zijn activiteiten voor [organisatie]. Ten eerste heeft de minister van belang mogen vinden dat de verklaringen van eiser hierover telkens verschillen. Tijdens het nader gehoor [3] heeft eiser verklaard dat hij foto’s heeft laten zien aan zijn buurjongens en de naam [organisatie] heeft genoemd. In de zienswijze heeft hij vervolgens verklaard dat hij een buurman, die ook winkelier was, heeft verteld over zijn werkzaamheden. De foto’s heeft hij aan die buurman laten zien en niet aan de buurjongens [4] . Ook heeft hij in de zienswijze verklaard dat hij denkt dat de informatie via een andere buurman, die banden met de Taliban had, bij de Taliban is terechtgekomen. De verklaring die eiser tijdens de zitting heeft gegeven is opnieuw anders, namelijk dat eiser over zijn werk bij [organisatie] heeft verteld aan een vriend die in de buurt woonde. Ten tweede heeft de minister in aanmerking kunnen nemen dat eisers verklaringen over de wijze waarop de Taliban op de hoogte is geraakt, alleen zijn gebaseerd op zijn eigen vermoedens. Bij dat laatste heeft de minister ook kunnen betrekken dat eiser zelf niet in Afghanistan was tijdens het vertrek van zijn broer en tijdens de huiszoekingen, maar in Turkije. Eiser heeft daarnaast verklaard geen contact met andere vrijwilligers te hebben gehad na zijn vertrek.
8.2.
Ook heeft de minister voldoende gemotiveerd dat de problemen van eiser met de Taliban vanwege de toespraak van zijn vader ongeloofwaardig zijn. Daarvoor is het volgende redengevend.
8.3.
De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet concreet heeft weten te maken dat de Taliban bekend is geraakt met de inhoud van de toespraak van zijn vader. De minister kon daarbij betrekken dat het niet aannemelijk is dat de toespraak is opgenomen, aangezien eiser dit niet heeft onderbouwd. Uit de verklaringen van eiser blijkt verder dat de Taliban geen reden heeft opgegeven waarom zij naar zijn vader op zoek was. Het is slechts een vermoeden dat dit met de toespraak te maken heeft. Dat uit het landenbeleid blijkt dat de Taliban willekeurig handelt, is op zichzelf onvoldoende voor een ander oordeel, aangezien het allereerst aan eiser is om zijn relaas aannemelijk te maken.
8.4.
Wat betreft de aanwezigheid van zijn vader bij het ouderlijke huis, na de terugkeer van eisers jongere broer naar [plaats], heeft de minister zich verder op het standpunt mogen stellen dat het vreemd is dat hij daar aanwezig was. Het ouderlijke huis lijkt namelijk bij uitstek een plek waar hij makkelijk te vinden zou zijn. Deze handelswijze strookt dan ook niet met de verklaringen van eiser dat zijn vader zat ondergedoken en bang was voor de Taliban.
8.5.
Tot slot kan de rechtbank zich vinden in het standpunt van de minister op zitting dat het niet geloofwaardig is dat eiser te vrezen heeft voor de Taliban vanwege de werkzaamheden van zijn broer voor [organisatie].
8.6.
Hiervoor heeft de minister van belang kunnen vinden dat eiser niet dezelfde soort werkzaamheden heeft verricht als zijn broer. Dit heeft de minister kunnen afleiden uit het feit dat eisers broer met een speciale regeling naar Nederland is gehaald. Deze regeling gold niet voor eiser. Ook is niet aannemelijk dat de Taliban op de hoogte is geraakt van de werkzaamheden van eisers broer en zijn vertrek. Dat één van eisers jongere broers hierover een bericht op social media heeft geplaatst, wil nog niet zeggen dat de Taliban hiermee bekend is geraakt. Eiser heeft tegenstrijdig verklaard over hoe dit gebeurd zou kunnen zijn [5] . Daarbij mocht de minister eisers eerdere verklaringen ook tegenstrijdig vinden met de recente gebeurtenissen in [plaats]. Hij heeft namelijk tijdens het nader gehoor [6] verklaard dat er na zijn vertrek twee huiszoekingen hebben plaatsgevonden, waarbij men op zoek was naar zijn vader, zijn oudste broer en naar hemzelf, niet naar zijn jongere broers. Terwijl uit de verklaringen over de recente gebeurtenis naar voren komt dat de Taliban blijkbaar ook interesse heeft gehad in eisers jongere broer. De in beroep overgelegde verklaringen van de buren en de zwager van zijn vader maken dit oordeel niet anders, aangezien die verklaringen onvertaald zijn.
8.7.
De beroepsgronden slagen niet.
Heeft de minister eisers problemen met [naam 1] ongeloofwaardig mogen vinden?
Wat betoogt eiser?
9. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de precieze momenten waarop [naam 1] om de hand van [naam 4] heeft gevraagd horen tot de kern van zijn asielrelaas. Dat hij dit niet precies weet, wordt hem te zwaar aangerekend. Eiser betoogt dat het vooral van belang is dat dit gebeurde en dat dit vaker dan één keer is gebeurd. Verder voert eiser aan dat zijn verklaringen hierover passen in wat er bekend is over de situatie in Afghanistan en de manier waarop vrouwen worden opgeëist door mannen met een zekere positie.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom eisers problemen met [naam 1] ongeloofwaardig zijn. De minister heeft daarvoor van belang kunnen vinden dat eisers verklaringen hierover zeer summier zijn. Hierbij mocht de minister betrekken dat eiser de exacte data niet heeft kunnen noemen wanneer [naam 1] bij zijn schoonouders langs is geweest. Hoewel eiser hier niet zelf bij aanwezig was, waren zijn echtgenote en schoonouders dat wel. De minister mocht van eiser verwachten dat hij via hen exactere informatie over de bezoeken had ontvangen. Eisers stelling dat de gebeurtenis past in het beeld van wat bekend is over Afghanistan, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Het feit dat dit soort gebeurtenissen plaatsvinden in Afghanistan, betekent immers nog niet dat het eiser en zijn echtgenote is overkomen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.J. Snoeijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 4, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn.
3.Pagina 32 van het rapport nader gehoor.
4.Pagina 1 en 2 van de zienswijze.
5.Pagina 4 van het voornemen.
6.Pagina 33 van het rapport nader gehoor.