Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9645

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
11832728 EL EXPL 25-4
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 7 lid 1 Wte
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering Dexia wegens verjaring in vrijwaringsprocedure effectenlease

Dexia Nederland B.V. vordert in een vrijwaringsprocedure dat een cliëntenremisier wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade die Dexia aan een cliënte moet betalen wegens effectenleaseovereenkomsten. De cliëntenremisier was betrokken bij het tot stand komen van deze overeenkomsten en zou zonder vergunning financieel advies hebben gegeven.

De rechtbank stelt vast dat de vordering van Dexia een schadevergoedingsvordering betreft die onder het verjaringsregime van artikel 3:310 lid 1 BW Pro valt, met een korte termijn van vijf jaar en een lange termijn van twintig jaar. De objectieve verjaringstermijn van twintig jaar begint te lopen vanaf het moment van de schadeveroorzakende gebeurtenis, hier het financieel advies voorafgaand aan de overeenkomsten van 16 januari 2001.

Omdat meer dan twintig jaar is verstreken sinds het sluiten van de overeenkomsten en Dexia niet heeft gesteld of bewezen dat de verjaring is gestuit, oordeelt de kantonrechter dat de vordering verjaard is. De vordering wordt afgewezen en Dexia wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de tegenpartij.

Uitkomst: De vordering van Dexia wordt afgewezen wegens verjaring; Dexia moet de proceskosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Leiden
NAV/c
Zaak-/rolnr.: 11832728 EL EXPL 25-4
8 april 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in de vrijwaringszaak,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats],
gedaagde in de vrijwaringszaak,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. M.J.G. Boender-Lamers.

1.De kern van de zaak

1.1.
[gedaagde] was cliëntenremisier en hield zich onder meer bezig met het verstrekken van algemene informatie over kenmerken van beleggingsproducten van verschillende aanbieders, waaronder (de rechtsvoorgangster van) Dexia. Zo is zij betrokken geweest bij de totstandkoming van drie effectenleaseovereenkomsten die [cliënte] met (de rechtsvoorgangster van) Dexia heeft gesloten. Die overeenkomsten hielden het volgende in. [cliënte] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen die aan het einde van de looptijd van de overeenkomsten eigendom van [cliënte] zouden worden. [cliënte] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomsten werden de aandelen verkocht en moest [cliënte] het geleende bedrag terugbetalen – voor zover mogelijk uit de verkoopopbrengst van haar aandelen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [cliënte] verlies heeft geleden.
1.2.
In een andere zaak waarin vandaag vonnis wordt gewezen, gaat het om de vraag of Dexia de door [cliënte] geleden schade helemaal moet vergoeden. Daarin is beslist dat dat het geval is. Dexia wordt daarom veroordeeld om de schade van [cliënte] aan haar terug te betalen. Dexia vindt dat [gedaagde] deze schade moet dragen en vordert daarom in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld om alle schade die Dexia aan [cliënte] moet betalen aan Dexia te vergoeden. [gedaagde] is het daar niet mee eens. Zij vindt onder andere dat de vordering van Dexia is verjaard. De kantonrechter oordeelt dat de vordering van Dexia inderdaad is verjaard. De vordering van Dexia wordt daarom afgewezen. Dexia moet de proceskosten van [gedaagde] betalen.

2.De procedure

2.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van:
- de dagvaarding van 3 juli 2025, met producties (1 en 2);
- het verwijzingsvonnis van 6 augustus 2025;
- de conclusie van antwoord, met productie (1).
2.2.
Op de rolzitting van 19 november 2025 heeft de kantonrechter de zaak verwezen naar de rolzitting van 17 december 2025 voor het nemen van een conclusie van repliek. Vervolgens is op de deze rolzitting aan Dexia op haar verzoek een laatste termijn verleend tot de rolzitting van 14 januari 2026 voor het nemen van een conclusie van repliek. Dit heeft de griffier van de rechtbank in een brief van 17 december 2025 aan Dexia meegedeeld. Dexia is op de daarvoor aangewezen zitting niet verschenen en heeft evenmin op andere wijze gereageerd. Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op 11 maart 2026. Dit heeft de griffier van de rechtbank in een brief van 27 januari 2026 aan partijen meegedeeld.
2.3.
Nadat de kantonrechter de datum voor de uitspraak van het vonnis had bepaald, heeft Dexia (alsnog) een conclusie van repliek toegestuurd. Dat is te laat. De kantonrechter zal deze conclusie dan ook buiten beschouwing laten.

3.De feiten

3.1.
[gedaagde] was cliëntenremisier en hield zich onder meer bezig met het verstrekken van algemene informatie over kenmerken van beleggingsproducten van verschillende aanbieders, waaronder (de rechtsvoorgangster van) Dexia.
3.2.
Mevrouw [cliënte] (hierna te noemen: [cliënte]) heeft op 16 januari 2001 drie effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorgangster van) Dexia. [gedaagde] is als cliëntenremisier betrokken geweest bij de totstandkoming van die overeenkomsten.
3.3.
[cliënte] heeft Dexia op 19 november 2024 gedagvaard. Deze procedure is bij de rechtbank aanhangig onder zaak- en rolnummer: 11430265 EL EXPL 24-14. In die zaak (hierna: de hoofdzaak) gaat het, kort samengevat, om de vraag of Dexia de door [cliënte] geleden schade moet vergoeden.

4.Het geschil

4.1.
Dexia vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot voldoening aan Dexia van al datgeen waartoe Dexia in de hoofdzaak veroordeeld mocht worden veroordeeld, met inbegrip van de proceskosten, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze vrijwaringsprocedure.
4.2.
Op de stellingen en verweren van partijen zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.

5.De beoordeling

De vordering van Dexia is verjaard
5.1.
[gedaagde] stelt primair dat de verjaringstermijn van twintig jaar op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding al was verstreken, zodat de vordering van Dexia is verjaard.
5.2.
De kantonrechter stelt voorop dat de vordering van Dexia is te beschouwen als een vordering tot vergoeding van schade [1] . Een schadevergoedingsvordering is onderworpen aan het verjaringsregime van artikel 3:310 lid 1 BW Pro. In dat artikel zijn twee verjaringstermijnen opgenomen: de korte (subjectieve) termijn van vijf jaar en de lange (objectieve) termijn van twintig jaar.
5.3.
Een vordering tot vergoeding van schade verjaart in elk geval door het verloop van twintig jaar na de gebeurtenis waardoor deze schade is veroorzaakt. Uit de wetsgeschiedenis en de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat aan deze verjaringstermijn het belang van de rechtszekerheid ten grondslag ligt. Deze termijn begint te lopen door het intreden van de schadeveroorzakende gebeurtenis, ook als de benadeelde van het bestaan van zijn of haar vordering niet op de hoogte is, als het (vooralsnog) onzeker is of er schade zal zijn, of als de schade zich pas later heeft gemanifesteerd. Voor het aanvangstijdstip van deze twintigjarige verjaringstermijn is (dus) beslissend het objectief gegeven tijdstip waarop de gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt plaatsvond. Dit aanvangstijdstip is dan ook niet afhankelijk van persoonlijke omstandigheden van de schuldeiser.
5.4.
Dexia stelt, samengevat, dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de uitvoering van de door haar aan [cliënte] verleende adviesdiensten door zonder een op grond van artikel 7 lid 1 Wte Pro (oud) vereiste vergunning als financieel adviseur op te treden, [cliënte] financieel advies te geven en bij het geven van dit advies de op haar rustende
bijzondere zorgplichten, waaronder in ieder geval de waarschuwingsplicht, te schenden. Om die reden is [gedaagde] (mede) aansprakelijk voor de door [cliënte] geleden schade, aldus Dexia.
5.5.
Het moment waarop [gedaagde] [cliënte] financieel advies zou hebben gegeven, kwalificeert naar het oordeel van de kantonrechter als aanvangstijdstip voor de lange (objectieve) verjaringstermijn. Het financieel advies is immers de gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt. Onduidelijk is wanneer het advies precies zou zijn gegeven.
Wel staat vast dat dat voorafgaand aan het sluiten van de drie overeenkomsten op 16 januari 2001 moet zijn geweest. Er zijn voorafgaand aan het in vrijwaring oproepen van [gedaagde] door Dexia in ieder geval twintig jaar verstreken na het sluiten van deze overeenkomsten. Niet is gesteld of gebleken dat Dexia de verjaring van haar vordering heeft gestuit. De vordering van Dexia is dan ook verjaard.
De vordering van Dexia wordt afgewezen
5.6.
Omdat de vordering van Dexia is verjaard, wijst de kantonrechter de vordering van Dexia af. De andere door [gedaagde] aangevoerde verweren behoeven dan ook geen nadere bespreking.
Dexia moet de proceskosten betalen
5.7.
Dexia is in het ongelijk gesteld. Dexia moet daarom de proceskosten (inclusief de nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
288,00
(1 punt × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening
zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
432,00
5.8.
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
wijst de vordering van Dexia af;
6.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 432,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Dexia niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.3.
veroordeelt Dexia tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Bellaart, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2026.

Voetnoten

1.HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784