AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing asielverzoek wegens ontbreken gegronde vrees voor vervolging en risico ernstige schade
Eiser, van Turkse en Syrische nationaliteit, verzocht om asiel vanwege discriminatie in Turkije en dienstweigering. Hij stelde dat hij vanwege zijn Syrische afkomst en dienstplicht een reëel risico liep op vervolging en ernstige schade.
De rechtbank oordeelde dat de ervaren discriminatie niet leidde tot een daad van vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Eiser had altijd toegang tot huisvesting, medische zorg en onderwijs, en had geen hulp van autoriteiten gezocht. Zijn psychische klachten konden niet uitsluitend aan discriminatie worden toegeschreven.
Ten aanzien van de dienstplicht concludeerde de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging had. De verklaringen over inzet in Syrië waren niet verifieerbaar en er was geen bewijs van onevenredige bestraffing. Ook zijn fobie voor wapens en uniformen werd niet als diepgewortelde overtuiging erkend.
Verder werd geen beschermenswaardig familie- of privéleven op grond van artikel 8 EVRMPro vastgesteld. Het verbod op refoulement werd niet geschonden omdat geen reëel risico op ernstige schade bestond. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de verblijfsvergunning wordt niet toegekend.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.28787
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , van Turkse en Syrische nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Radema).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser.
1.1.
Bij besluit van 21 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als ongegrond.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft vervolgens aanvullende beroepsgronden ingediend en verweerder heeft in reactie hierop nog een tweede verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Majdoubi als tolk in de Arabische taal en de gemachtigde van verweerder.
1.5.
Bij sluiting van het onderzoek op de zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden eisers asielaanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
3. Eiser heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser stelt niet terug te kunnen keren naar Turkije. Eiser is in Turkije gediscrimineerd en bedreigd door zijn huiseigenaar vanwege zijn Syrische afkomst. Hierdoor was hij genoodzaakt te verhuizen en heeft hij een ander huis moeten huren. Bij zijn nieuwe huiseigenaar moest hij de huur eerder betalen dan niet-Syriërs. Ook werd eiser uitgescholden in de bus en verkreeg documenten vertraagd. Verder had hij op werk gerelateerd gebied moeite met solliciteren en werd hij voor banen afgewezen omdat hij Syriër is. Op de universiteit werd hij vanwege zijn nationaliteit berispt of mocht de lessen niet volgen wanneer hij te laat kwam. Tot slot kan eiser niet terug naar zowel Turkije als Syrië omdat hij dienstplichtig is en zijn dienstplicht niet wil vervullen.
Besluitvorming
4. Verweerder heeft de volgende asielmotieven onderscheiden:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Discriminerende bejegeningen in Turkije;
3. Militaire dienstplicht in Turkije en Syrië.
4.1.
Verweerder acht al eiser zijn asielmotieven geloofwaardig.
4.2.
Ten aanzien van de geloofwaardige relevante asielmotieven is het volgende overwogen. Dat eiser uit Turkije en Syrië komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn. [1] Uit de verklaringen van eiser blijkt verder niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. De door eiser ondervonden discriminerende bejegeningen in Turkije leiden namelijk niet tot een daad van vervolging. Tot slot is het feit dat eiser uit Turkije komt op zichzelf niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen. [2] Bij terugkeer naar Syrië loopt eiser dit risico wel, maar omdat eiser terug kan keren naar Turkije heeft verweerder dit verder niet beoordeeld.
Discriminatie in Turkije
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet aanneemt dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft en/of wordt blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 vanPro het EVRM [3] door de ondervonden discriminatie in Turkije.
5.1.
Het volgende toetsingskader is van toepassing. Verweerder merkt discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als daad van vervolging, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. [4]
5.2.
De rechtbank oordeelt als volgt. Verweerder miskent niet dat eiser is gediscrimineerd in Turkije. De vraag is of deze discriminatie zo ernstig is geweest dat eiser hierdoor in Turkije niet kon functioneren. Eiser is gediscrimineerd en bedreigd door zijn huisbaas waardoor hij moest verhuizen. Bij zijn nieuwe huisbaas moest hij de huur eerder betalen dan niet-Syriërs. Eiser stelt verder gediscrimineerd te zijn op de banenmarkt, de universiteit en door Turkse instanties. De rechtbank miskent niet dat deze omstandigheden voor eiser vervelend moeten zijn geweest. Desondanks volgt de rechtbank verweerder in het standpunt dat eiser wel altijd toegang heeft gehad tot huisvesting en medische zorg, wel altijd heeft kunnen werken en zijn universitaire opleiding heeft kunnen afronden. Daar komt bij dat eiser nooit naar de (hogere) autoriteiten is gegaan om hulp te vragen. Daarmee is niet gebleken dat eiser geen bescherming van de overheid heeft kunnen inroepen tegen de discriminatie.
5.3.
Tot slot volgt de rechtbank eiser niet in het standpunt dat hij psychische problemen heeft gekregen door de discriminatie die hij heeft ondervonden in Turkije. Eiser heeft namelijk niet aangetoond dat zijn mentale problemen rechtstreeks en uitsluitend het gevolg zijn van de discriminatie in Turkije. Zo is immers niet uitgesloten dat zijn psychische problemen ook het gevolg kunnen zijn van wat hij in Syrië heeft meegemaakt.
5.4.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door eiser ondervonden discriminerende bejegeningen in Turkije niet leiden tot een daad van vervolging en evenmin tot een reëel risico op ernstige schade. De beroepsgrond slaagt niet.
Dienstweigering
6. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder onterecht heeft geoordeeld dat eiser niet te vrezen heeft voor vervolging wegens dienstweigering. Eiser heeft onderbouwd gesteld dat hij, wanneer hij in militaire dienst moet in Turkije, een reëel risico loopt om te worden ingezet in Syrië waar hij in strijd met het internationaal recht zou moeten handelen, dan wel dat handelen zou moeten faciliteren. Dat deze verklaringen niet te verifiëren zouden zijn, zoals verweerder stelt, betekent niet dat ze zonder waarde zijn. Ook stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat de intensiteit van de gevechtshandelingen in Syrië drastisch is verminderd en dat er niet langer sprake is van een ‘all out civil war’. Verder gebruikt verweerder niet het juiste toetsingskader. Sinds het arrest van het Hof [5] van 21 september 2023 [6] kan namelijk geen diepgewortelde overtuiging meer worden geëist. Bovendien heeft verweerder nagelaten om eisers verklaringen over zijn fobie voor wapens en uniformen te betrekken in zijn beoordeling. Eiser heeft verklaard dat hij een fobie heeft voor het dragen van een geweer en voor personen die militaire kleding dragen. Hij heeft verklaard dat deze fobie voortvloeit uit zijn ervaringen in Syrië, waar hij is geslagen door een militair. Hij heeft verklaard dat hij bang is voor het geweld dat door militairen wordt uitgeoefend en dat hij geen vertrouwen heeft in personen die een uniform dragen.
6.1.
Het volgende toetsingskader is van toepassing. Als de vreemdeling stelt te vrezen te hebben voor vervolging wegens dienstweigering of desertie toetst verweerder eerst of de vreemdeling dienst heeft geweigerd of is gedeserteerd omdat hij vreesde anders te moeten deelnemen aan oorlogsmisdrijven. [7] Pas als daarvan geen sprake is, toetst verweerder of dienstweigering of desertie leidt tot onevenredige of discriminatoire bestraffing dan wel of deze voortkomt uit onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege een godsdienst of andere diepgewortelde overtuiging. Het feit dat de vreemdeling weigert zijn militaire dienst te vervullen of is gedeserteerd en in verband hiermee bestraft wordt met een gevangenisstraf of ontslag uit het leger, is voor verweerder op zichzelf onvoldoende om als daad van vervolging aan te merken. [8]
6.2.
De rechtbank oordeelt als volgt. Allereerst gaat het standpunt van eiser ten aanzien van de diepgewortelde overtuiging niet op, nu dit ziet op het beoordelingskader bij een politieke overtuiging. Op de zitting heeft eiser dit standpunt ingetrokken.
6.3.
Verder volgt de rechtbank verweerder in zijn oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege de dienstplicht gegronde vrees heeft voor vervolging of dat bij terugkeer een reëel risico bestaat op ernstige schade. Uit de Algemene ambtsberichten Turkije uit 2022 en 2023 blijkt dat dienstplichtigen in principe niet worden ingezet bij gevechtshandelingen. Eiser heeft met de stelling dat hij niet weet waar hij zal worden ingezet als hij in militaire dienst zou gaan niet aannemelijk gemaakt dat hij ingezet zal worden bij militaire acties die in strijd zijn met de grondbeginselen van humaan gedrag of de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. Dat eiser verklaringen heeft overgelegd van dienstplichtigen die gelegerd zijn in oorlogsgebieden, maakt dit niet anders nu deze verklaringen niet verifieerbaar zijn. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dienstweigering voor hem zal leiden tot onevenredige of discriminatoire bestraffing. Uit het ambtsbericht van Turkije uit 2025 blijkt dat er geen informatie is gevonden waaruit duidelijk werd dat dienstplichtontduikers en deserteurs onevenredig werden bestraft indien zij een bepaalde etniciteit, religie, politieke overtuiging, seksuele geaardheid en/of genderidentiteit hadden. De rechtbank volgt verweerder ook in zijn oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanuit diepgewortelde morele of religieuze overtuigingen, weigert de dienstplicht te vervullen. Dat hij bang is voor het geweld dat door militairen wordt uitgeoefend, hij geen vertrouwen heeft in personen die een uniform dragen en een fobie stelt te hebben voor wapens en uniformen, is daarvoor onvoldoende. Verweerder heeft er bovendien terecht op gewezen dat eiser gebruik kan maken van de afkoopregeling. De beroepsgrond slaagt niet.
Verblijfsvergunning regulier
7. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat de motivering waarom er geen verblijfsvergunning regulier kan worden verleend, ontoereikend is. Niet is meegewogen dat de asielaanvraag van eiser dateert van 7 november 2022, waardoor hij ruim anderhalf jaar heeft moeten wachten op een beslissing. Het kan hem daarom worden aangerekend dat hij gezinsleven is gaan uitoefenen in die periode. Voorts worden een aantal belangen van de Nederlandse Staat enkel genoemd zonder te motiveren waarom die hier van toepassing zouden zijn (zoals openbare orde, economisch belang, rechten en vrijheden van anderen, volksgezondheid). Dat is geen deugdelijke motivering.
7.1.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser geen beschermenswaardig familie- en privéleven heeft op grond van artikel 8 vanPro het EVRM. De omstandigheid dat eiser anderhalf jaar heeft moeten wachten op een beslissing maakt niet dat hij erop mocht vertrouwen dat zijn verblijf in Nederland op grond van een verblijfsvergunning kon worden voortgezet. Eiser heeft verder gesteld dat hij een vriendin heeft en met haar verloofd is. Eiser heeft dit echter op geen enkele manier onderbouwd en evenmin onderbouwd dat hij gescheiden is van zijn vrouw in Turkije. Deze enkele stelling is daarom niet voldoende om familieleven aan te nemen. Daarnaast heeft eiser met enkel een inschrijving voor een studie niet onderbouwd dat er sprake is van privéleven in Nederland. Zo spreekt eiser de taal niet en zijn er geen andere omstandigheden die maken dat er sprake is van privéleven. De beroepsgrond slaagt niet.
Verbod op refoulement
8. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder het verbod op refoulement schendt door eiser terug te wijzen naar Turkije.
8.1.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat op grond van hetgeen in de gronden wordt aangevoerd geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen risico op refoulement bij terugkeer van eiser naar Turkije. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Verweerder heeft de aanvraag van eiser dus terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
2.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
3.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
4.Zie paragraaf C2/3.2.6 van de Vc (Vreemdelingencirculaire 2000).
5.Hof van Justitie van de Europese Unie.
6.C-151/22 (S en A), ECLI:EU:C:2023:688.
7.Zie artikel 3.36, tweede lid, onder e, van de VV (Voorschrift Vreemdelingen 2000).