Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9594

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
NL25.36684
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen afwijzing aanvraag vreemdelingen niet-ontvankelijk verklaard

Verzoekster, van Nigeriaanse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. Tegen de beslissing op het bezwaarschrift van 29 januari 2026 heeft verzoekster geen beroep ingesteld. Het verzoek om een voorlopige voorziening richt zich op het primaire besluit en het besluit op bezwaar.

De voorzieningenrechter stelt vast dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen kan worden gedaan als er een lopende beroepsprocedure is tegen het besluit op bezwaar. Omdat verzoekster geen beroep heeft ingesteld, is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk.

Daarom wordt het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is definitief, hoger beroep of verzet is niet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een lopende beroepsprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.36684

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster],

[geboortedatum verzoekster],
van Nigeriaanse nationaliteit,
[V-nummer verzoekster],
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats).
Mede namens haar echtgenoot en drie minderjarige kinderen:
[naam echtgenoot],
[naam eerste minderjarige kind],
[naam tweede minderjarige kind],
[naam derde minderjarige kind].
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekster.
1.1
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2
De minister heeft op 29 januari 2026 2026 beslist op het bezwaarschrift.
1.3
Verzoekster heeft geen beroep ingesteld tegen de beslissing op het bezwaarschrift.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het verzoek om voorlopige voorziening gaat over het primaire besluit en het besluit op het bezwaar tegen dat besluit.
Tegen dat laatste besluit loopt geen beroepsprocedure. Alleen als dat wel het geval is, kan iemand een verzoek om voorlopige voorziening doen.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.S.G. van der Werf, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.