ECLI:NL:RBDHA:2026:9582
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening tegen afwijzing aanvraag niet-ontvankelijk verklaard
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 21 april 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening van een Chinese verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag door de minister van Asiel en Migratie.
De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat tegen het primaire besluit geen bezwaarprocedure openstaat. Volgens artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een verzoek om voorlopige voorziening alleen worden gedaan als er een bezwaarprocedure tegen het primaire besluit loopt.
Omdat dit niet het geval is, is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter heeft het verzoek daarom niet inhoudelijk beoordeeld en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en is verzonden aan partijen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard omdat tegen het primaire besluit geen bezwaarprocedure loopt.