ECLI:NL:RBDHA:2026:9545
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs van vervolgingsgevaar als afvallige in Marokko
Eiser diende op 22 november 2025 een asielaanvraag in, die door de minister op 23 december 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser voerde aan dat hij vanwege zijn afvalligheid van de islam en problemen met zijn vader en de maffia in Marokko gevaar loopt. Hij stelde dat hij door zijn vader werd verstoten en op straat moest leven, en vreest uitsluiting en gevangenisstraf bij terugkeer.
De rechtbank onderzocht of de minister eiser had moeten aanmerken als afvallige en dit als asielmotief had moeten betrekken. De rechtbank oordeelde dat eiser zijn problemen steeds in relatie tot zijn vader en directe omgeving presenteerde, zonder concreet aan te tonen dat hij vanwege zijn afvalligheid vervolging of risico loopt in de samenleving.
De rechtbank stelde vast dat de minister niet verplicht was om het motief van afvalligheid te erkennen of nader te horen, omdat eiser onvoldoende verband had gelegd tussen zijn afvalligheid en vervolgingsgevaar. Ook de stelling dat afvalligheid strafbaar is in Marokko werd onvoldoende onderbouwd met concrete omstandigheden die een gegronde vrees voor vervolging rechtvaardigen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter A.G.D. Overmars en griffier D.G. van den Berg op 21 april 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van vervolgingsgevaar als afvallige.