Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9523

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
09-268572-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging moord, veroordeling poging doodslag na steekincident in Den Haag

Op 9 oktober 2025 stak de verdachte de aangever met een mes in de buik in Den Haag. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor voorbedachte raad, waardoor de verdachte werd vrijgesproken van poging tot moord, maar wel veroordeeld voor poging tot doodslag. De verdachte had de aangever na een eerdere confrontatie gebeld en een ontmoeting geregeld, waarna het steekincident plaatsvond.

De verdediging voerde een beroep op putatief noodweer aan, stellende dat de verdachte dacht zich te moeten verdedigen tegen een aanval. De rechtbank verwierp dit verweer, omdat de verdachte de situatie zelf had gecreëerd door de afspraak en er geen directe bedreigende beweging van de aangever was op het moment van de steek.

De rechtbank legde een jeugddetentie van 360 dagen op, waarvan 261 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 120 uur. De verdachte kreeg bijzondere voorwaarden, waaronder een contactverbod met het slachtoffer en een messenverbod. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd deels toegewezen: €368,81 materiële schade en €10.000 immateriële schade, terwijl het deel over psychose niet-ontvankelijk werd verklaard wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging tot moord, veroordeeld tot poging tot doodslag met jeugddetentie en werkstraf, en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-268572-25
Datum uitspraak: 16 april 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[de verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] ,
verblijvende te: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 15 januari 2026 (pro forma) en 2 april 2026 (inhoudelijke behandeling).
De officier van justitie in deze zaak is mr. T. Nauta en de raadsman van de verdachte is mr. A.W.J. van Galen te Amsterdam. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
een poging tot moord dan wel doodslag, dan wel de zware mishandeling van [aangever] door hem met een mes in de buik te steken, op 9 oktober 2025 in Den Haag.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het impliciet primair ten laste gelegde – de poging tot moord – bewezen kan worden verklaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdediging vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde poging tot moord. De poging tot doodslag kan volgens de raadsman bewezenverklaard worden.
3.3
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak van dit feit bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met BVH-nummer DH 2025343090, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Den Haag Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 139).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 april 2026;
2. Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, opgemaakt op 12 oktober 2025 (p. 102-113);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 oktober 2025 (p. 83-88);
4. Een geschrift, te weten het op 8 december 2025 ingevulde verzoek medische informatie (p. 135-137).
3.4
Bewijsoverwegingen
Voorbedachte raad?
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
De rechtbank stelt op grond van hetgeen op de zitting is besproken en het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte heeft de aangever op 9 oktober 2025 rond 23:00 uur gezien op het Heeswijckplein in Den Haag. De verdachte stond daar met een groepje jongens op een stoep, toen de aangever op zijn scooter aan kwam rijden, afstapte en in de richting van de groep jongens rende met een mes in zijn hand. De jongens, waaronder de verdachte, renden weg, waarna de aangever terug ging naar zijn scooter en wegreed. De verdachte heeft verklaard dat hij hierna de aangever heeft gebeld en met hem heeft afgesproken op de Van Baerlestraat in Den Haag, omdat hij met de aangever wilde praten over wat er zojuist was gebeurd. De verdachte is toen naar de Van Baerlestraat gelopen. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij rond 23:15 uur op de Van Baerlestraat werd benaderd door een jongen die opgefokt overkwam. [getuige] heeft verklaard dat die jongen hem vroeg om mee te gaan naar het einde van de straat, waarna andere jongens tegen de tegen die jongen zeiden dat hij de verkeerde had. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij die door [getuige] genoemde jongen was, dat hij dacht dat [getuige] de aangever was en dat hij wilde dat die [getuige] mee zou lopen naar het eind van de straat om te praten. Hierna, rond 23:22 uur, is op camerabeelden (afkomstig van restaurant Noumidia aan de Van Baerlestraat) te zien dat de verdachte en de aangever elkaar op de Van Baerlestraat ontmoeten. Te zien is dat de aangever zijn scooter op de bok zet en een stap richting de verdachte zet. De verdachte zet daarop snel een stap naar voren en maakt een stekende beweging richting de buik van het slachtoffer.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte voorafgaand aan het gewelddadig handelen voldoende tijd had voor beraad en voldoende gelegenheid voor bezinning. Tussen de eerste confrontatie met de aangever en het moment waarop de verdachte de aangever heeft gestoken, zaten namelijk ongeveer twintig minuten. Dit tijdsverloop vormt een belangrijke indicatie dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar de rechtbank ziet hiervoor ook contra-indicaties.
Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden kan de rechtbank niet afleiden dat de verdachte een plan beraamd heeft om het slachtoffer van het leven te beroven. Het feit dat de verdachte de aangever heeft opgebeld om hem – na het gebeurde op het Heeswijckplein – te ontmoeten en het opgefokte gedrag van de verdachte tegen over de jongen die hij aanvankelijk aan zag voor aangever kunnen zeker de indruk wekken dat de verdachte op zijn minst een confrontatie met de aangever niet uit de weg zou gaan. De rechtbank kan daaruit echter niet afleiden dat de verdachte van meet af aan uit was op de dood van de aangever.
De verdachte heeft verklaard dat hij met de aangever afsprak, omdat hij met hem wilde praten. Volgens de aangever is hij daarentegen aan de telefoon bedreigd door één persoon, maar daarna hoorde hij een andere stem die zei dat het uitgepraat zou gaan worden. Die laatste stem wekte vertrouwen bij de aangever en maakte dat de aangever naar de Van Baerlestraat is gegaan. Hoewel de verdachte en de aangever anders verklaren over het telefoongesprek tussen hen van die avond, maakt de rechtbank uit beide verklaringen op dat niet alleen volgens de verdachte gepraat zou gaan worden, maar dat die indruk ook bestond bij de aangever. De rechtbank ziet ook een contra-indicatie in de interactie van de verdachte met getuige [getuige] . Hoewel de verdachte dacht dat hij de aangever voor zich had en hij opgefokt overkwam, heeft hij niet direct geweld gebruikt, maar nog gevraagd om naar het einde van de straat te lopen. Ook dit vindt de rechtbank niet verenigbaar met een vooropgezet plan om de aangever te doden.
De rechtbank is van oordeel dat deze contra-indicaties zwaarder wegen dan de omstandigheid dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden over het besluit om de aangever te doden en om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn daad. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord.
Conclusie
De rechtbank zal de verdachte gelet op het bovenstaande vrijspreken van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord. De rechtbank is (in overeenstemming met de (subsidiaire) standpunten van de officier van justitie en de verdediging) van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag van [aangever] .
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 9 oktober 2025 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk
[aangever]van het leven te beroven, met een mes, in de buikstreek van
die
[aangever]heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewezenverklaarde een strafbaar feit is en dat de verdachte daarvoor strafbaar is, nu er geen sprake is van noodweer dan wel noodweerexces.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich namens de verdediging op het standpunt dat er sprake is van putatief noodweer, dan wel putatief noodweerexces, omdat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij zich moest verdedigen tegen de aangever.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de gedragingen van de verdachte werden geboden door de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daarvan kan ook sprake zijn bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Alleen de (subjectieve) vrees voor een dergelijke aanranding is niet voldoende. In deze zaak is door de verdediging aangevoerd dat sprake was van putatief noodweer(exces). De verdachte zou hebben gehandeld omdat hij, gerechtvaardigd, meende dat hij werd aangevallen en daarom op dat moment dacht dat hij zich moest verdedigen.
Als een beroep op (putatief) noodweer(exces) is gedaan, moet de rechtbank allereerst de feitelijke grondslag van dat beroep onderzoeken. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van dit verweer, gaat het erom dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden.
Putatief noodweer(exces)
In dit geval moet de rechtbank onderzoeken of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij kon en mocht menen dat hij zich moest verdedigen zoals hij dat heeft gedaan, omdat hij zich verontschuldigbaar het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. De rechtbank moet kortom beoordelen of de verdachte buiten zijn schuld dacht of mocht denken dat hij in gevaar was.
De raadsman heeft ter onderbouwing van het beroep op putatief noodweer de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. De aangever had kort voor het steekincident, namelijk op het Heeswijckplein, met een groot mes achter de verdachte aangerend. Bij aankomst in de Van Baerlestraat leek het er niet op dat de aangever met de verdachte wilde praten. Dit is tot uiting gekomen in zijn (fysieke) houding in de richting van de verdachte en de andere aanwezige personen. De aangever maakte een beweging in de richting van de verdachte, ook al was hij op dat moment alleen terwijl de verdachte met meerdere anderen was.
De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden geen situatie opleveren waarin sprake was van een verontschuldigbare dwaling van de verdachte. Uit het dossier blijkt inderdaad dat de aangever op het Heeswijckplein met een mes op (onder andere) de verdachte is afgerend. Hierna heeft, zoals in paragraaf 3.4 al is overwogen, de verdachte gebeld met de aangever en is er afgesproken op de Van Baerlestraat om te praten. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte en de aangever elkaar ontmoeten. Nadat de aangever zijn scooter op de bok zet, zet hij met zijn ene been een stap richting de verdachte, waarbij hij zijn armen langs zijn lichaam naar beneden houdt. Nog voor de aangever zijn andere been naast het eerste been kan neerzetten, stapt de verdachte al snel vooruit om de aangever te steken. Op de beelden is niet te zien dat de aangever een beweging maakt die de verdachte als aanvallend had kunnen en mogen interpreteren. Het zetten van een stap in de richting van de aangever mocht de verdachte ook niet interpreteren als een dreiging, nu dat ook past in het scenario dat de aangever met hem kwam praten, waartoe de verdachte hem immers zelf had uitgenodigd.
De verdachte heeft dan ook de situatie waarin hij opnieuw geconfronteerd werd met de aangever zelf heeft in het leven geroepen, door met de aangever af te spreken om te praten. Daar komt bij dat de verdachte ook al van te voren wist en kon weten, dat de aangever misschien nog steeds het mes bij zich had, waarmee hij op het Heeswijckplein had gedreigd. Desondanks heeft de verdachte de afspraak met de aangever gemaakt, waaruit de rechtbank afleidt dat hij zich kennelijk veilig genoeg voelde om dat te doen. Dat de verdachte vervolgens, als het ware op dat moment zelf, het verontschuldigbare gevoel zou hebben gekregen dat hij zich tegen de aangever moest verdedigen, is in het licht van al die omstandigheden niet aannemelijk geworden. Naar de uiterlijke verschijningsvormen, zoals die mede blijken uit de camerabeelden, is het de verdachte die – op het moment dat hij dan daadwerkelijk de aangever tegenover zich ziet – zonder enige directe aanleiding op dat moment, de aanval kiest en de aangever in zijn buik steekt.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een (putatieve) noodweersituatie en ook niet van (putatief) noodweerexces. Het bewezenverklaarde en de verdachte zijn dan ook strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit of de verdachte uitsluiten.

5.De op te leggen straffen

5.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie vordert daarbij dat er bijzondere voorwaarden worden opgelegd, namelijk een meldplicht bij de reclassering, het meewerken aan begeleiding door een coach, het volgen van een opleiding en een messenverbod. De officier justitie vraagt om die bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De officier van justitie vordert daarnaast de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, namelijk een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor de straat waarin het slachtoffer woont. De officier van justitie vordert opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij einduitspraak.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat een langere jeugddetentie dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten, niet in het belang van zijn ontwikkeling is. Het opleggen van een forse voorwaardelijke jeugddetentie doet voldoende recht aan de ernst van het feit.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feitDe verdachte heeft de aangever met een mes in de buik gestoken, waardoor hij een diepe wond heeft veroorzaakt. De aangever is zwaar gewond een restaurant in gevlucht waarna hij met een ambulance naar het ziekenhuis is vervoerd. Daar is de aangever met spoed geopereerd en is er (onder andere) twee liter bloed uit zijn buikholte weggehaald. De aangever mag van geluk spreken dat er geen van zijn organen zijn geraakt, hetgeen niet aan de verdachte te danken is. De aangever heeft vijf dagen in het ziekenhuis gelegen en heeft als gevolg van de operatie een groot en ontsierend litteken op zijn buik. In de brief die de aangever heeft geschreven, wordt duidelijk dat het steekincident bij de aangever ook grote gevolgen heeft gehad voor zijn mentale gesteldheid en zijn gevoel van veiligheid. De rechtbank rekent de verdachte dit alles zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 15 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het (psychologische) Pro Justitia rapport van 9 januari 2026. Daaruit volgt – kort samengevat – dat er bij de verdachte geen sprake is van een psychische stoornis of een verstandelijke beperking. Volgens de psycholoog zijn bij de huidige tenlastegelegde feiten geen factoren, voorkomend uit een stoornis, aanwezig geweest die de keuzevrijheid hebben beïnvloed. Er kan geen antwoord gegeven worden op de vraag welke specifieke risicofactoren van invloed zijn geweest op de feiten die de kans op gewelddadig gedrag verhogen. De psycholoog ziet geen noodzaak om aan de verdachte een behandeling te adviseren.
De rechtbank heeft ook kennis genomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) van 25 maart 2026 en de mondelinge toelichting die daarop ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – het volgende. Het algemeen recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld en het dynamisch recidiverisico wordt ingeschat als heel laag. De Raad is van mening dat een werkstraf een passende pedagogische consequentie is voor de verdachte. Gelet op de ernst van de verdenking vindt de Raad een het opleggen van voorwaardelijke jeugddetentie ook passend. De Raad vindt het niet noodzakelijk om een jeugdreclasseringsmaatregel en bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen, omdat er bij de verdachte geen sprake is van een vaardighedentekort en de jeugdreclassering daarom geen concrete doelen heeft om aan te werken. Als de verdachte nu terug moet naar de jeugdgevangenis, zou dat de positieve ontwikkelingen die hij heeft doorgemaakt, doorkruisen.
De jeugdreclassering heeft zich ter zitting aangesloten bij het advies van de Raad. Zij schat in dat de kans dat de verdachte opnieuw in de fout gaat klein is. Er zijn geen concrete doelen waar verder aan gewerkt kan worden vanuit reclasseringstoezicht en -begeleiding.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank stelt voorop dat het jeugdstrafrecht een pedagogisch karakter heeft. Dat betekent dat het voornaamste doel is om te zorgen dat de jeugdige die een strafbaar feit pleegt, geholpen wordt om zich op een zodanige manier te ontwikkelen dat hij niet opnieuw strafbare feiten pleegt. Dit is in het belang van de jeugdige, maar ook in het belang van de maatschappij waarin de jonge verdachte uiteindelijk altijd weer terecht zal komen. Vergelding staat in het jeugdstrafrecht om die reden niet voorop als strafdoel. Tegen die achtergrond komt de rechtbank tot de volgende strafmodaliteit en strafmaat.
De rechtbank kan, gelet op de ernst van het feit, niet volstaan met een andere straf dan een jeugddetentie. De rechtbank is in tegenstelling tot de officier van justitie van oordeel dat het niet noodzakelijk is om een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen voor een langere duur dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Dat komt omdat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van de primair ten laste gelegde poging tot moord en omdat de rechtbank zich onder die omstandigheden kan vinden in de adviezen van de Raad en de jeugdreclassering. Ook weegt de rechtbank mee dat de verdachte nog nooit eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen. Verder gaat de verdachte naar school, heeft hij een duidelijk en maatschappelijk geaccepteerd toekomstbeeld, en werkt hij hard om dat te verwezenlijken. Het is belangrijk dat de verdachte aan zijn toekomst kan blijven werken zonder dat dit onderbroken wordt door opnieuw een periode van detentie. De rechtbank ziet wel aanleiding om nog een flinke voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met een proeftijd van twee jaar. De verdachte moet besef hebben van ernst van het door hem gepleegde feit en de voorwaardelijke straf moet hem ervan weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen. De rechtbank zal de verdachte daarom opleggen een jeugddetentie van 360 dagen waarvan 261 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De rechtbank zal de verdachte daarnaast ook een werkstraf opleggen van 120 uren, zodat hij ook direct de consequenties ervaart van wat hij gedaan heeft.
Bijzondere voorwaarden en vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank zal aan de voorwaardelijke jeugddetentie bijzondere voorwaarden verbinden, namelijk een contactverbod met het slachtoffer en een verbod om messen of andere wapens te dragen. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast nog andere voorwaarden aan de straf te verbinden, zoals de officier van justitie heeft geëist. De Raad en de jeugdreclassering zien geen concrete doelen waarvoor betrokkenheid van de jeugdreclassering nodig is en hebben geadviseerd om geen bijzondere voorwaarden op te leggen. De rechtbank zal ook geen vrijheidsbeperkende maatregel opleggen, omdat het contactverbod al als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast nog een locatieverbod voor de straat van de aangever op te leggen. Daar komt bij dat uit het dossier niet kan worden opgemaakt waar de aangever woont, zodat het formuleren van een locatieverbod niet goed mogelijk is.
De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden die worden opgelegd niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat gelet op de rapportages van de psycholoog en de Raad niet kan worden vastgesteld dat er ernstig rekening moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal plegen dat gevaar oplevert voor de onaantastbaarheid van het lichaam.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal tot slot de voorlopige hechtenis opheffen omdat er geen langere jeugddetentie wordt opgelegd dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

6.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] , ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.M.P. van Eijsden, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 17.868,81, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 368,81 aan materiële schade en € 17.500,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
6.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en vordert de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat, in geval de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, de vordering niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Er wordt (subsidiair) geen verweer gevoerd tegen de gevorderde materiële schadevergoeding. Wat betreft de immateriële schade, wordt betwist dat de psychose bij de aangever is ontstaan door het steekincident en dat die schade dus rechtstreeks is veroorzaakt door het strafbare feit. De raadsman vraagt om de vordering tot immateriële schadevergoeding af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, voor zover die een bedrag van € 5.000,- overstijgt. De raadsman verzoekt ook om over te gaan tot matiging van de schadevergoeding omdat sprake is van enige eigen schuld van de aangever.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering, voor zover die betrekking heeft op de materiële schade van € 368,81, is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Immateriële schade – Letsel en trauma
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij is namelijk in zijn persoon aangetast, omdat hij ernstig gewond is geraakt en lichamelijk letsel heeft opgelopen. Daarnaast volgt uit de onderbouwing van de vordering dat bij de benadeelde partij klachten zijn opgetreden die passen bij een post traumatische stresstoornis. De rechtbank houdt er rekening mee dat de verdachte geopereerd is, een groot en ontsierend litteken heeft op zijn buik en voor zijn traumaklachten naar alle waarschijnlijkheid nog een behandeling zal moeten ondergaan.
Immateriële schade - Psychose als gevolg van het steekincident
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de immateriële schade die volgens de benadeelde partij is ontstaan door de psychose die hij heeft doorgemaakt een maand na het steekincident, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Het is voor de rechtbank op basis van de voorliggende gegevens niet mogelijk om vast te stellen dat de psychose die de aangever heeft doorgemaakt na het steekincident, zonder meer alleen dan wel voornamelijk door het steekincident is veroorzaakt, mede nu uit de door de aangever overgelegde gegevens van de behandelaar ook andere mogelijk oorzaken worden genoemd en er ook aanwijzingen zijn dat aangever ook voor het bewezenverklaarde feit al aan een psychose leed dan wel psychotische klachten had. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Dit benadeelde partij kan dit deel van de vordering daarom slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank maakt ten aanzien van de immateriële schade die wel voor vergoeding in aanmerking komt, voor het lichamelijk letsel en de traumaklachten, gebruik van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek), omdat de omgang van de geleden schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft daarbij enerzijds acht geslagen op wat in min of meer vergelijkbare zaken als schadevergoeding wordt toegekend en anderzijds kennis genomen van bedragen die in de zogenaamde Rotterdamse schaal worden genoemd, bij middelzware littekenvorming en middelzware PTSS. De rechtbank stelt de schadevergoeding vast op € 10.000,-.
Eigen schuld
De verdediging heeft gevraagd om de op te leggen schadevergoeding te matigen, omdat er ook sprake zou zijn van eigen schuld van de aangever in de zin van artikel 6:101 van Pro het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank moet daarvoor eerst de vraag beantwoorden of er enig causaal verband is tussen het handelen van de benadeelde partij (de aangever) en de schade. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. Wat er ook zij van wat aan het feit vooraf is gegaan op het Heeswijckplein, het is de verdachte die het slachtoffer benadert en het is de verdachte die het slachtoffer vraagt om naar hem toe te komen om te gaan praten. Zoals hiervoor al is uiteengezet, is de aangever vervolgens direct en zonder aanleiding in zijn buik gestoken. De rechtbank is van oordeel dat de handelingen van de aangever zelf op het Heeswijckplein, hoewel kwalijk, geen causaal verband hebben met de schade die hij heeft opgelopen door de messteek van de verdachte.
Conclusie
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 10.368,81, bestaande uit € 368,81 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 oktober 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 10.368,81, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 oktober 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen is gegrond op de artikelen:
36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
poging tot doodslag;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
360 DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht
(de rechtbank gaat uit van 99 dagen), geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie,
261 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
[aangever] , geboren op [geboortedatum 2] 2006;
2. geen enkel wapen en/of mes zal dragen.
veroordeelt de verdachte daarnaast tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
120 UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
60 DAGEN;
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 10.368,81 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij , een bedrag van € 10.368,81, bestaande uit € 368,81 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 9 oktober 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 10.368,81, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij door de verdachte de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. T.E.F. Reijnders, kinderrechter, voorzitter,
mr. drs. W.G. de Boer, kinderrechter,
en mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.T. Verlinde, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 april 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 9 oktober 2025 te 's-Gravenhage
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk en
al dan niet met voorbedachten rade
een ander, te weten [aangever]
van het leven te beroven,
met een mes, in ieder geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de buikstreek van
die [aangever] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 oktober 2025 te 's-Gravenhage
aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten
rade, zwaar lichamelijk letsel, te weten, een (diepe) buikwond, in ieder geval zwaar
lichamelijk letsel heeft toegebracht, door met een mes, in ieder geval een scherp
en/of puntig voorwerp, in de buikstreek van die [aangever] te steken