Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9495

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL25.24279
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000Art. 31, zesde lid, onder b, Vreemdelingenwet 2000Art. 31, zesde lid, onder c, Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2011/95/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond: onvoldoende gemotiveerde afwijzing asielaanvraag lid HDP in Turkije

Eiser, een Koerdische Turkse staatsburger, diende een asielaanvraag in na bedreiging en lopende strafzaken in Turkije. Verweerder wees de aanvraag af, met name omdat het lidmaatschap van eiser van de HDP niet geloofwaardig zou zijn. Eiser voerde aan dat hij bewijs had geleverd, waaronder betalingsbewijzen, foto's en een verklaring van een erkende mensenrechtenorganisatie, die onvoldoende waren onderzocht.

De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom het lidmaatschap van eiser ongeloofwaardig zou zijn. De overgelegde documenten en verklaringen werden onvoldoende meegewogen. Ook werd onvoldoende gemotiveerd waarom eiser geen reëel risico op vervolging zou lopen bij terugkeer naar Turkije, mede gelet op de situatie van zijn broer en eerdere strafzaken.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en gemotiveerde beoordeling van bewijs en het risico op vervolging in asielzaken.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege onvoldoende gemotiveerde afwijzing van het lidmaatschap van de HDP.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24279

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.M. Sidler).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van
9 mei 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Verweerder heeft op 19 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Sivridag als tolk en de gemachtigde van verweerder. Ook was eisers broer aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eiser heeft verklaard dat hij zijn hele leven problemen heeft gehad en is achtergesteld vanwege zijn geloof en zijn Koerdische etniciteit. In 2020 is een strafzaak tegen eiser, waarin hij werd verdacht van lidmaatschap van een terroristische organisatie, geseponeerd vanwege onvoldoende bewijs. In 2023 is eiser uit Turkije vertrokken, omdat hij met de dood is bedreigd door een agent. In oktober 2023 is er een strafzaak tegen eiser gestart vanwege een incident dat in 2019 heeft plaatsgevonden. Deze strafzaak loopt nog steeds. Bij terugkeer naar Turkije vreest eiser dat hij direct zal worden aangehouden door de politie.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
de bedreiging door een politieagent in november/december 2022;
discriminatie vanwege eisers geloof en etniciteit;
eisers gestelde lidmaatschap van de HDP.
3.1.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Dit geldt ook voor de bedreiging door een politieagent in november/december 2022 en de discriminatie vanwege eisers geloof en etniciteit. Verweerder vindt eisers gestelde lidmaatschap van de HDP niet geloofwaardig. Verweerder heeft daarbij betrokken dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft [1] en dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen [2] . Verweerder vindt dat eiseres bij terugkeer naar Turkije geen gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Allereerst moet de zienswijze als herhaald en ingelast worden beschouwd, nu in het bestreden besluit geen goede reactie op de zienswijze wordt gegeven. Verder heeft verweerder ten onrechte geen betekenis toegekend aan het door eiser overgelegde betalingsbewijs van het lidmaatschap van de HDP over de periode 2019-2023 en nagelaten dit document op echtheid te laten onderzoeken. Verder vindt eiser dat er voldoende aanwijzingen zijn dat hij gezien kan worden als HDP-aanhanger dan wel HDP-sympathisant, en daarom dus in dezelfde risicosfeer verkeert als HDP-leden. In dit verband moeten ook de door eiser overgelegde foto’s van zijn werk als journalist in een HDP-campagne in 2015 worden gezien. Nu eiser kan worden aangemerkt als HDP-aanhanger is ook de overgelegde landeninformatie van 6 december 2024 van belang, waaruit blijkt dat deze groep voortdurend onder druk wordt gezet door de Turkse autoriteiten. Vervolgens stelt eiser dat hem in redelijkheid geen asielbescherming kon en kan worden onthouden, als zijn zaak op dezelfde wijze op eigen merites wordt beoordeeld als die van zijn broer. Eiser wijst in dit verband ook naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag. [3] Daarnaast heeft eiser de schriftelijke verklaring van de Vereniging voor de Rechten van de Mens, opgesteld door [naam], ten onrechte weggezet als niet objectief, gezien deze verklaring op zijn minst als steunbewijs kan dienen. Bovendien heeft eiser in de zienswijze toegelicht waarom er in de strafzaak die aanhangig is tegen eiser in Turkije sprake is van discriminatoire vervolging met een reëel risico op onevenredige zware bestraffing. Hiertegen heeft verweerder ten onrechte nauwelijks iets ingebracht in het bestreden besluit. Eiser heeft daarnaast een arrestatiebevel overgelegd dat inmiddels tegen hem is uitgevaardigd. Tot slot heeft verweerder ten onrechte eisers beroep op artikel 4 lid 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn [4] als een niet onderbouwde aanname aangemerkt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Mocht verweerder eisers gestelde lidmaatschap van de HDP ongeloofwaardig vinden?
6. In paragraaf C7/34.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staat dat
DEM-leden en -activisten (voormalig HDP) als risicoprofiel worden aangemerkt. In het algemeen ambtsbericht van februari 2025 staat in dit verband onder meer dat het deelnemen aan demonstraties of het bijwonen van persverklaringen tot verhoogde aandacht kan leiden [5] en dat familieleden van HDP-leden ook de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten kunnen trekken. [6]
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers gestelde lidmaatschap van de HDP ongeloofwaardig is. Daartoe is het volgende van belang.
7.1.
Verweerder heeft allereerst onvoldoende gemotiveerd waarom eiser onduidelijk en summier heeft verklaard over zijn lidmaatschap van de HDP partij. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij in 2015 lid is geworden van DTP, wat later de HDP partij is geworden. [7] Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom niet duidelijk zou zijn van wanneer tot wanneer eiser lid is geweest.
Hier komt bij dat eiser bij zijn zienswijze foto’s heeft overgelegd uit de periode 2014-2015 waarop hij te zien is toen hij aanwezig was bij de campagne van een parlementslid van de HDP. Los nog van de vraag of hieruit kan worden afgeleid dat hij als journalist bij deze bijeenkomsten aanwezig was, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom deze foto’s geen steun bieden aan eisers verklaringen over zijn lidmaatschap.
Eiser heeft bovendien bij zijn zienswijze een volgens hem origineel betalingsbewijs van de HDP-contributie over de periode 28 november 2019 tot
28 april 2023 overgelegd. Verweerder heeft dit niet onderzocht en werpt enkel tegen dat uit de zienswijze niet blijkt hoe eiser aan dit betalingsbewijs is gekomen en dat de datum van afgifte opmerkelijk is, omdat eisers lidmaatschap toen al bijna ten einde was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee onvoldoende gemotiveerd waarom dit betalingsbewijs niet kan bijdragen aan de geloofwaardigheid van eisers lidmaatschap van de HDP.
Eiser heeft daarnaast een verklaring van de Vereniging voor de Rechten van de Mens, ondertekend door [naam], overgelegd. In deze verklaring staat dat [naam] de familie van eiser van dichtbij kent, dat de familie deel uitmaakt van de Koerdische politieke beweging en dat eiser lid is geweest van de HDP. Op zitting heeft eiser toegelicht dat het om een erkende beweging gaat en dat [naam] zowel in Turkije als daarbuiten een prominent persoon is. Verweerder heeft in eerste instantie tegengeworpen dat aan deze verklaring over zijn lidmaatschap weinig betekenis kan toekomen, omdat niet duidelijk is hoe [naam] eiser en zijn familie zou kennen. Eiser heeft ter zitting verduidelijkt dat zij getrouwd was met zijn oom, dat hij samen met haar heeft gewerkt en hij heeft een foto laten zien waar zij samen op te zien zijn. Verweerder heeft de hiervoor vermelde tegenwerping op dit punt vervolgens laten vallen. Verweerders tegenwerping dat de verklaring niet objectief verifieerbaar is en op verzoek is opgesteld door een voormalig familielid is – in het licht ook van het voorgaande – onvoldoende om deze terzijde te schuiven.
8. In het licht van het voorgaande heeft verweerder bovendien onvoldoende gemotiveerd dat eiser geen vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Turkije. Daarbij weegt mee dat eiser op zitting heeft verduidelijkt dat zijn broer in Turkije wordt vervolgd, omdat hij HDP-sympathisant is en om die reden een verblijfsvergunning in Nederland heeft gekregen. Eiser heeft daarnaast benadrukt dat hij uit een prominente familie komt. Hier komt bij dat verweerder niet heeft weersproken dat er in 2020 een strafzaak tegen eiser is gestart vanwege lidmaatschap van een terroristische organisatie. Weliswaar is deze zaak geseponeerd, maar hieruit kan worden afgeleid dat eiser in ieder geval onder de aandacht heeft gestaan van de Turkse autoriteiten.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
10. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-. [8]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 9 mei 2025;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw.
2.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
3.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, van 13 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7264.
4.Richtlijn 2011/95/EU.
5.Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 64.
6.Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 65.
7.Gehoorverslag nader gehoor, pagina 18.
8.1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.