Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9480

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL25.20069
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VwArt. 3 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing uitstel van vertrek wegens ontoegankelijke medische zorg in Uganda

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van medische redenen, welke door de minister is afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte heeft aangenomen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke medicatie en medische behandelingen in Uganda voor haar feitelijk niet toegankelijk zijn.

De rechtbank stelt vast dat eiseres met bewijsstukken heeft aangetoond dat de kosten van medicatie en noodzakelijke nefrologische behandelingen hoog zijn en dat zij deze kosten niet kan dragen gezien haar beperkte verdiencapaciteit. Tevens heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat zij geen zorgverzekering kan afsluiten vanwege haar bestaande medische klachten. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom van eiseres verwacht kan worden dat zij de kosten kan betalen of een verzekering afsluit.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de uitspraak in acht wordt genomen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres. De overige beroepsgronden worden niet beoordeeld omdat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van de minister en draagt op tot een nieuw besluit met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20069

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. A.C. Pool),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. O. Sari).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Eiseres heeft een verzoek ingediend tot uitstel van vertrek vanwege medische redenen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De minister heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voor haar noodzakelijke medicatie en medische behandelingen in Uganda feitelijk niet toegankelijk zijn. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom van eiseres, gelet op haar financiële situatie en potentiële inkomen, verwacht kan worden dat zij de kosten daarvan kan betalen. Daarnaast heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat van eiseres verwacht kan worden dat zij een zorgverzekering afsluit, aangezien zij al ziek is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verlening van uitstel van vertrek vanwege medische redenen op grond van artikel 64 van Pro de Vw [1] . De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 10 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 april 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft op 28 mei 2025 gronden van beroep ingediend. Eiseres heeft ook verzocht om een voorlopige voorziening. Deze staat geregistreerd onder zaaknummer NL23.23265 en hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
2.2.
De minister heeft een aanvullend besluit genomen op 22 juli 2025. Daar heeft eiseres op 9 januari 2026 op gereageerd. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is op zitting gesloten. De rechtbank heeft echter aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen zodat nadere informatie aan het dossier toegevoegd kon worden. Na ontvangst van deze stukken heeft de minister toestemming verleend het beroep verder zonder zitting te behandelen. Omdat eiseres, nadat zij hiernaar is gevraagd, niet heeft laten weten dat zij wel gehoord wil worden op zitting heeft de rechtbank het onderzoek opnieuw gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Wat volgt er uit het advies van het BMA [2] ?
3. De minister heeft, voor de beoordeling van de aanvraag, advies gevraagd aan het BMA. Op 26 september 2024 heeft het BMA het meest recente advies uitgebracht. Uit het advies blijkt dat eiseres sinds 2022 lijdt aan acute nierinsufficiëntie ten gevolge van primaire focale segmentale glomerulosclerose (FSGS). Daarnaast heeft eiseres suïcidale gedachten en klachten van piekeren en angstaanvallen. Bij het uitblijven van de behandeling voor de nierziekte wordt een medische noodsituatie verwacht binnen een termijn van drie tot zes maanden. De adviseur van het BMA laat echter weten dat de noodzakelijke medicatie en medische behandelingen in Uganda aanwezig zijn. Bij het uitblijven van de behandeling van de depressie wordt volgens het advies geen medische noodsituatie verwacht binnen de betreffende termijn. Uit de informatie van de behandelaren blijkt namelijk niet dat er sprake is of is geweest van psychotische ontregelingen, (gedwongen) klinische psychiatrische opnames, (gedocumenteerde) zelfmoordpogingen of andere crisisinterventies. Het advies stelt verder dat eiseres niet kan reizen, tenzij er voorafgaand aan de reis een fysieke overdracht is geregeld en aan de reisvoorwaarden wordt voldaan.
Heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat de voor haar noodzakelijke medicatie en medische behandelingen in Uganda feitelijk niet toegankelijk zijn?
Wat is het standpunt van eiseres?
4. Eiseres voert aan dat uit de door haar overgelegde informatie blijkt dat de noodzakelijke medicatie en medische behandelingen in Uganda voor haar feitelijk niet toegankelijk zijn. Allereerst stelt eiseres dat ervan kan worden uitgegaan dat zij vanwege haar ernstige medische problematiek niet in staat is om fulltime te werken. Zou zijn wel fulltime kunnen werken, bijvoorbeeld als serveerster, dan zou zij een groot gedeelte van het mogelijke inkomen dat zij zou kunnen verdienen moeten besteden aan de kosten voor de medicatie. Dit staat volgens eiseres nog los van de kosten die zij zou moeten maken voor de behandelingen door een nefroloog, welke kosten zij niet inzichtelijk kan maken. Eiseres stelt verder dat de minister voorbijgaat aan de verklaring van haar moeder, waarin staat dat zij eiseres financieel niet kan ondersteunen. Daarnaast is het voor eiseres vrijwel onmogelijk om inzicht te geven in haar financiële situatie. Zij heeft geen vermogen in Uganda gehad en is al langere tijd niet in Uganda geweest, waardoor het onmogelijk is om aan te tonen wat haar potentiële inkomsten kunnen zijn. Eiseres stelt verder dat zij pogingen heeft gedaan om een ziektekostenverzekering af te sluiten, maar dat zij van de verzekeraars geen antwoorden op haar vragen heeft gekregen. Na heropening van het onderzoek heeft eiseres wel een antwoord op haar vragen van een verzekeraar overgelegd.
4.1.
Tijdens de zitting heeft eiseres laten weten dat er binnenkort een zitting bij de Afdeling [3] zal plaatsvinden over het onderwerp van de feitelijke toegankelijkheid van medicatie en medische behandelingen. De Afdeling heeft hierover vragen gesteld aan de minister en de landsadvocaat van de minister heeft deze vragen beantwoord. Eiseres en de minister hebben deze vragen en antwoorden op verzoek van de rechtbank overgelegd.
Wat is het standpunt van de minister?
4.2.
De minister heeft het BMA-advies van 26 september 2024 ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit. De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke medicatie en medische behandelingen in Uganda voor haar feitelijk niet toegankelijk zijn. De enkele stelling dat eiseres de kosten voor haar medicatie niet kan dragen, is onvoldoende. De minister gaat ervan uit dat eiseres met inkomen uit arbeid, gelet op het potentiële salaris wat zij zou kunnen verdienen, de kosten kan dragen. Verder heeft eiseres geen inzicht gegeven in haar financiële situatie, inkomen en vermogen. Eiseres heeft haar stelling dat zij niet of nauwelijks kan werken niet onderbouwd met stukken. De enkele stelling dat haar familie haar financieel niet kan bijstaan en eiseres daarover in bewijsnood verkeert, is ook onvoldoende. Eiseres heeft daarnaast niet aangetoond dat zij niet kan terugvallen op sociale voorzieningen, overheidssteun, een sociaal netwerk of charitatieve organisaties. Wat betreft de zorgverzekering stelt de minister dat niet met persoonlijke stukken is onderbouwd dat eiseres zich niet zou kunnen verzekeren. Het niet ontvangen van een reactie van de verzekeraars op haar vragen maakt nog niet dat er geen mogelijkheden zijn voor eiseres om zich te verzekeren. De overgelegde informatie over de zorgverzekeringen is te algemeen van aard en ziet niet op haar persoonlijke situatie. Ook is niet gebleken dat eiseres op andere manieren heeft geprobeerd in contact te komen met verzekeraars.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4.3.
Uit vaste rechtspraak [4] volgt dat het aan de betrokken vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheid een reëel risico in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM loopt en dat, als deze beschikbaar is, de medische zorg in zijn geval niet feitelijk toegankelijk is. Dit hoeft volgens het EHRM [5] geen ‘clear proof’ te zijn. Dit betekent dat de vreemdeling aannemelijk moet maken wat de kosten van de behandeling in het land van herkomst zijn. Vervolgens is het aan de vreemdeling, als hij stelt dat deze behandeling om financiële of andere redenen voor hem feitelijk niet toegankelijk is, om dat aannemelijk te maken. De beoordeling of de beschikbare medische zorg in het land van herkomst voor een vreemdeling feitelijk toegankelijk is, is verweven met omstandigheden van de individuele persoon, zoals aanwezige familie, vermogen, of het bestaan van een sociaal netwerk [6] .
4.4.
De rechtbank stelt vast dat uit het meest recente kostenoverzicht van 23 november 2024, dat eiseres heeft overgelegd, blijkt dat de kosten van haar medicatie momenteel € 73,55 per maand zijn. De kosten van de behandelingen door een nefroloog kunnen door eiseres niet inzichtelijk worden gemaakt. Dat behandeling door een nefroloog vanwege de ernstige nieraandoening van eiseres noodzakelijk is, is onbetwist duidelijk. De totale kosten per maand liggen in werkelijkheid dan ook hoger (en niet lager) dan het bedrag dat uit het kostenoverzicht blijkt.
4.5.
De rechtbank stelt verder vast dat eiseres eveneens inspanningen heeft verricht om aannemelijk te maken dat de behandeling voor haar feitelijk niet toegankelijk is. Zij heeft gedurende de besluitvormingsprocedure e-mailberichten overgelegd waaruit blijkt dat zij een aantal zorgverzekeraars heeft aangeschreven met de vraag of zij verzekerd kan worden. Eiseres had daar geen antwoorden op ontvangen. Na heropening van het onderzoek heeft eiseres alsnog een reactie van een verzekeraar overgelegd waarin staat dat deze verzekeraar haar niet kan verzekeren omdat haar medische klachten al bestaan. Daarmee heeft eiseres haar eerder ingenomen standpunt nader onderbouwd. Eiseres heeft daarnaast aangegeven dat zij met een fulltimebaan als serveerster gemiddeld € 204,18 per maand zou kunnen verdienen. Eiseres heeft ook een verklaring van haar moeder overgelegd, waaruit blijkt dat haar moeder geen vermogen heeft en haar financieel niet kan ondersteunen.
4.6.
De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door eiseres overgelegde informatie onvoldoende is om aannemelijk te maken dat de noodzakelijke medicatie en medische behandeling voor haar feitelijk niet toegankelijk zijn. Eiseres heeft namelijk met het kostenoverzicht een begin van bewijs overgelegd om de kosten van de noodzakelijke medicatie aannemelijk te maken. Eiseres zal deze kosten niet zelf kunnen dragen, gezien zij vanwege haar ernstige nierziekte niet fulltime zal kunnen werken, waardoor haar inkomen lager zal liggen dan het gemiddelde inkomen dat zij heeft overgelegd. Echter, zélfs als zou worden uitgegaan van een gemiddeld fulltime inkomen zijn de kosten van alleen al de medicatie zo hoog in verhouding tot het inkomen dat niet realistisch gezegd kan worden dat eiseres deze kosten zal kunnen dragen. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat de kosten van behandeling door een nefroloog – waarvan onbetwist duidelijk is dat die behandeling nodig is – nog boven op de kosten van medicatie zullen komen. Daarnaast heeft eiseres onderbouwd gesteld dat zij de mogelijkheid niet heeft om zich te verzekeren. De rechtbank vindt verder van belang dat uit de overgelegde verklaring van de moeder van eiseres blijkt dat haar moeder geen vermogen heeft en eiseres financieel niet kan ondersteunen. De minister heeft eiseres daarnaast ten onrechte tegengeworpen dat zij haar eigen vermogen niet heeft aangetoond, gelet op de verklaring van eiseres dat zij nooit vermogen in Uganda heeft gehad. Het is te veel gevraagd van eiseres om iets aannemelijk te maken wat er niet is (geweest).
4.7.
Gelet op de stukken die eiseres heeft overgelegd, de feiten en omstandigheden die de minister relevant vindt bij de beoordeling van de feitelijke toegankelijkheid [7] en gezien het feit dat er geen ‘clear proof’ wordt verwacht, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de medische behandeling voor haar in Uganda feitelijk niet toegankelijk is. Het is aan de minister om de twijfel over een mogelijke schending van artikel 3 van Pro het EVRM weg te nemen door nader te onderzoeken of eiseres in Uganda daadwerkelijk toegang zal hebben tot de noodzakelijke medische behandeling. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

5. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. [8] De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De overige beroepsgronden hoeven daarom niet te worden beoordeeld. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
5.1.
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. [9] De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.335,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend, aan de zitting heeft deelgenomen en omdat de rechtbank na heropening van het onderzoek heeft verzocht om schriftelijke inlichtingen te geven en stukken in te zenden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
5.3.
Eiseres heeft geen griffierecht betaald, omdat zij wegens betalingsonmacht hiervan is vrijgesteld. Daarom hoeft de minister geen griffierecht aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 4 april 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Korporaal-Wisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Bureau Medische Advisering.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).
4.EHRM 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810 (Paposhvili tegen België); Afdeling 23 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:744.
5.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
6.EHRM 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810 (
7.Zoals gebleken uit de in 4.1. genoemde antwoorden van de landsadvocaat.
8.Strijd met artikel 3:2 en Pro 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
9.Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.