ECLI:NL:RBDHA:2026:9458

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL25.25356
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3.71 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 EVRM en hardheidsclausule

Eiseres, geboren in 1934 en houdster van de Chinese nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel 'familie en gezin' om bij haar dochter en kleindochter in Nederland te verblijven. De minister van Asiel en Migratie wees haar aanvraag af wegens het niet voldoen aan het mvv-vereiste en het ontbreken van beschermenswaardig familieleven met bijkomende elementen van afhankelijkheid.

Eiseres stelde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met haar emotionele, sociale en financiële afhankelijkheid van haar dochter en kleindochter, haar medische situatie en de moeilijk toegankelijke zorg in China. Ook voerde zij aan dat verweerder haar niet in de gelegenheid had gesteld om nadere informatie te overleggen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder alle relevante omstandigheden, waaronder periodes van samenwoning en de aard van de afhankelijkheid, zorgvuldig had meegewogen. Eiseres had onvoldoende bewijs geleverd van financiële en medische afhankelijkheid en verweerder had haar voldoende gelegenheid gegeven om stukken te overleggen. De rechtbank volgde het standpunt van verweerder dat geen sprake is van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie en dat de hardheidsclausule niet van toepassing is.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag verblijfsvergunning regulier wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25356

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.W. van de Wege),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Spijkerman).

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Daarnaast waren [kleindochter van eiseres en tevens referente] (kleindochter van eiseres, tevens referente) en [dochter van eiseres] (dochter van eiseres) aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1934 en heeft de Chinese nationaliteit. Zij wil in Nederland verblijven bij haar dochter en kleindochter. Op 27 maart 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. [1]
2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat zij niet voldoet aan het mvv-vereiste. [2] Verweerder heeft overwogen dat eiseres niet wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. [3] Tussen eiseres en referente is namelijk geen sprake van beschermenswaardig familieleven, omdat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Verder heeft verweerder eiseres ook niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule, [4] omdat niet is gebleken dat het stellen van dit vereiste voor eiseres onredelijk hard is.
3. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referente. Referente is grotendeels grootgebracht door eiseres en zij hebben verschillende periodes met elkaar samengewoond. Ook hebben zij elkaar meermaals bezocht toen zij niet meer samenwoonden. Dit heeft verweerder onvoldoende meegewogen en daarnaast ook onvoldoende bezien in samenhang met de overige factoren. Verder is niet dan wel onvoldoende meegewogen dat eiseres emotioneel, sociaal en financieel volledig afhankelijk is van referente. Tijdens de hoorzitting heeft verweerder geen vragen gesteld over de financiële afhankelijkheid van eiseres, waardoor verweerder haar uit een oogpunt van zorgvuldigheid nog in de gelegenheid had moeten stellen om nadere informatie op dit punt te overleggen. Dit is echter niet gebeurd. Ten aanzien van de medische situatie van eiseres geldt eveneens dat zij hierover niet bevraagd is en dat zij in de gelegenheid had moeten worden gesteld om nadere informatie over te leggen. Eiseres is doof en heeft een zeer beperkte mobiliteit. Verweerder heeft in het besluit onvoldoende onderkend dat het zorgsysteem in China moeilijk toegankelijk is voor eiseres. Ook mag verweerder bij de medische situatie van eiseres niet als beslissende factor betrekken of sprake is van exclusieve afhankelijkheid. Verweerder heeft bovendien ten onrechte tegengeworpen dat het voorzienbaar is dat een in het land van herkomst achtergebleven grootouder door leeftijd hulpbehoevend wordt, omdat dit geen aspect is wat in de besluitvorming dient te worden betrokken. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte overwogen dat eiseres sterke banden heeft met China. Verweerder heeft hierbij namelijk geen rekening gehouden met de omstandigheid dat eiseres door haar medische situatie geen sociale contacten heeft in China. Bovendien zijn in deze fase van haar leven de contacten met haar dochter en kleindochter het belangrijkste voor eiseres. De aangevoerde omstandigheden zouden tot slot ook reden moeten zijn voor verweerder om de hardheidsclausule toe te passen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Vrijstelling mvv-vereiste op grond van artikel 8 van Pro het EVRM
4. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, omdat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Verweerder heeft in dit verband alle relevante omstandigheden meegewogen. Zo heeft verweerder de samenwoning van eiseres, haar dochter en referente betrokken bij de beoordeling, maar daarbij ook betrokken dat eiseres geruime tijd – 30 respectievelijk bijna 25 jaar – gescheiden van haar dochter en referente heeft geleefd. Dat sprake is geweest van periodes van samenwoning heeft verweerder op zichzelf onvoldoende kunnen achten om aan te tonen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Anders dan eiseres meent, heeft verweerder de samenwoning ook in samenhang bezien met de overige omstandigheden. In het bestreden besluit heeft verweerder namelijk expliciet overwogen dat de omstandigheden in samenhang bekeken geen blijk geven van een meer dan normale afhankelijkheid. Ten aanzien van de financiële afhankelijkheid heeft verweerder terecht overwogen dat geen inzicht is gegeven in de financiële situatie van eiseres en dat niet is aangetoond dat eiseres wordt ondersteund door haar dochter en referente. Ook heeft eiseres haar gezondheidstoestand niet onderbouwd met stukken. Dat verweerder eiseres na de hoorzitting in de gelegenheid had moeten stellen om nadere informatie te overleggen over haar financiële en medische omstandigheden, wordt niet gevolgd. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat in de herstelverzuimbrief van 3 mei 2024 het belang van documenten duidelijk is gemaakt en dat ook uit het primaire besluit van 9 juli 2024 blijkt welke informatie ontbreekt. Eiseres is dus voldoende in de gelegenheid gesteld om stukken over te leggen. De rechtbank stelt bovendien vast dat eiseres ook in beroep geen stukken ter onderbouwing van haar financiële en medische omstandigheden heeft overgelegd, ondanks dat eiseres deze onderbouwing in haar beroepsgronden wel heeft aangekondigd. De rechtbank is het voorts met eiseres eens dat verweerder niet als vereiste mag stellen dat eiseres voor haar medische zorg exclusief van referente afhankelijk is, maar constateert dat verweerder dit ook niet heeft vereist. Verweerder heeft in het kader van de medische situatie terecht overwogen dat eiseres niet heeft aangetoond dat de nodige zorg in China niet kan worden gegeven zonder (fysieke) tussenkomst van haar dochter en referente. Ook heeft eiseres niet aangetoond dat bij een spoedoperatie geen uitzondering kan worden gemaakt op het vereiste dat een handtekening van een familielid moet worden gezet. Daarbij heeft verweerder ook terecht overwogen dat eiseres niet aangetoond heeft dat zij alleen met referente kan communiceren en dat communicatie met anderen, eventueel met hulpmiddelen, niet mogelijk is. Verweerder heeft kunnen overwegen dat de dochter van eiseres en referente eiseres op afstand kunnen steunen en eiseres ook perioden kunnen bezoeken, zoals zij in het verleden hebben gedaan. Verder heeft verweerder over de banden van eiseres met China kunnen overwegen dat deze sterk zijn, nu zij voor haar komst naar Nederland altijd in China heeft gewoond. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de afgenomen sociale contacten van eiseres in China en het belang van haar contact met haar dochter en referente geen afbreuk doen aan de sterke banden met China en niet maken dat de banden met Nederland sterker zijn dan de banden met China. Ten aanzien van de emotionele afhankelijkheid heeft verweerder overwogen dat eiseres een hechte band heeft met haar dochter en referente. In samenhang bezien met de overige omstandigheden heeft verweerder dit echter onvoldoende kunnen achten om te concluderen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Vrijstelling mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule
5. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die leiden tot vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. De rechtbank stelt vast dat de omstandigheden die eiseres in dit verband heeft gesteld dezelfde zijn als die in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM door verweerder zijn beoordeeld. De rechtbank verwijst daarom naar de voorgaande overwegingen. Niet is gebleken dat het onevenredig bezwarend voor eiseres is om naar China terug te keren.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent eiseres geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft.
7. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 20 april 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Een machtiging tot voorlopig verblijf. Dit is een inreisvisum voor lang verblijf, dat na binnenkomst in Nederland wordt omgezet in een verblijfsvergunning. Het niet-beschikken over een geldige mvv leidt volgens artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) tot afwijzing van de gevraagde verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
3.Deze vrijstellingsgrond is te vinden in artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb.
4.De hardheidsclausule staat in artikel 3.71, derde lid, van het Vb.