Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9445

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL25.59989
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 31 lid 6 onder c Vreemdelingenwet 2000Art. 31 lid 6 onder d Vreemdelingenwet 2000Art. 3:2 Algemene wet bestuursrechtArt. 3:46 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielverzoek Jezidi uit Irak wegens onvoldoende motivering risico ernstige schade

Eiser, een Jezidi uit Irak, diende op 23 mei 2023 een asielaanvraag in die op 2 december 2025 werd afgewezen door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank behandelde het beroep op 29 januari 2026. Eiser vreesde terugkeer vanwege discriminatie, gevechten in zijn regio en benaderingen door de PKK om zich aan te sluiten.

De minister erkende de discriminatie maar vond deze niet ernstig genoeg voor vervolging en betwijfelde de rekrutering door de PKK. Ook vond de minister dat eiser geen reëel risico liep op ernstige schade volgens artikel 29 Vreemdelingenwet Pro 2000 en artikel 3 EVRM Pro, mede vanwege toegang tot medische zorg en werk in vluchtelingenkampen.

De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom het risico op ernstige schade ontbrak, met name omdat recente landeninformatie en het nieuwe thematisch ambtsbericht onvoldoende waren betrokken. Ook was onvoldoende onderzocht of het vluchtelingenkamp waar eiser verbleef gesloten was. De rechtbank vernietigde het besluit en veroordeelde de minister in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van het risico op ernstige schade bij terugkeer.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59989

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

( [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 23 mei 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 2 december 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Cetinkaya als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit te zijn, is geboren op [geboortedatum] 2001 en behoort tot de Jezidi bevolkingsgroep. Eiser heeft verklaard dat hij na de genocide in 2014 met zijn familie is gevlucht. Als Jezidi heeft hij te maken gehad met onderdrukking en discriminatie. Ook is het moeilijk voor hem om werk te vinden. Daarnaast vinden er in eisers leefgebied gevechten plaats tussen verschillende groeperingen en zijn er bombardementen. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij tweemaal is benaderd door de PKK om zich aan te sluiten bij de groepering, maar eiser heeft dit geweigerd. Bij terugkeer naar Irak vreest eiser gewond te raken of gedood te worden.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
de discriminatie vanwege eisers Jezidi afkomst;
de rekrutering door de PKK.
4. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst en de discriminatie vanwege eisers Jezidi afkomst geloofwaardig, maar de rekrutering door de PKK niet. Verweerder heeft daarbij betrokken dat de verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel zijn [1] en dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft [2] . Verweerder vindt dat eiser bij terugkeer geen vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag, omdat Jezidi’s niet langer als risicoprofiel worden aangemerkt en niet is gebleken dat eiser persoonlijke problemen heeft gekregen met IS [3] naar aanleiding van de aanval van IS in 2014. Verder vindt verweerder dat eiser vanwege de discriminatie die hij heeft ondervonden niet zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk gebied en sociaal gebied kan functioneren. Bovendien vindt verweerder dat eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000. Daarbij heeft verweerder betrokken dat er in de regio’s Diyala, Duhok, Erbil en Ninewa sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, maar dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk meer risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder vindt tot slot dat de humanitaire situatie in het tentenkamp [naam kamp] niet zodanig is dat eiser niet in zijn bestaan heeft kunnen voorzien, omdat hij heeft kunnen werken en toegang had tot medische zorg.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser vindt dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en voert daartoe het volgende aan. Allereest is de beschikking niet overzichtelijk, omdat er tegenstrijdige mededelingen over de vertrektermijn in staan. Verder blijft eiser bij zijn stelling dat verweerder de verklaringen over de pogingen tot rekrutering ten onrechte summier en ongeloofwaardig heeft bevonden. Eiser heeft namelijk gedetailleerd verklaard over de benadering door de PKK en behoort tot de groep jonge Jezidi-mannen die een verhoogd risico loopt onder druk te worden gezet door gewapende groeperingen. Daarnaast is verweerders verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht Irak 2023 onvoldoende, nu eiser recentere informatie heeft overgelegd. Bovendien kan niet aan eiser worden tegengeworpen dat hij pas in het nader gehoor over de rekrutering heeft gesproken, nu het aanmeldgehoor juist is bedoeld voor een beknopte opgave van de asielmotieven. De hoormedewerker had eiser erop moeten wijzen dat zijn verklaringen summier waren. Verweerder heeft verder ten onrechte geconcludeerd dat de discriminatie niet leidt tot vrees voor vervolging. De voortdurende en wijdverspreide discriminatie, structurele achterstelling en uitsluiting van Jezidi’s in Irak is zodanig ernstig dat deze in cumulatie neerkomt op vervolging. Dat eiser korte tijd heeft gewerkt of toegang had tot identiteitsdocumenten, betekent niet dat hij daadwerkelijk maatschappelijk kon functioneren. De stelling dat de dreiging voor Jezidi’s sterk is afgenomen is onvoldoende gemotiveerd, nu is gebleken dat Jezidi’s nog altijd doelwit zijn van discriminatie, geweld en vervolging door verschillende groeperingen. Eiser vindt daarnaast dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de omstandigheden in [plaats] niet leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro [4] en hij kan zich, gelet op het thematisch ambtsbericht van november 2025, niet verenigen met verweerders standpunt dat de omstandigheden in de ontheemdenkampen geen risico opleveren in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. Eiser kan zich evenmin verenigen met verweerders standpunt dat in de [provincie] sprake zou zijn van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, omdat het instabiel is in [plaats] vanwege Turkse luchtaanvallen. Bovendien vindt eiser dat hij wel een verschoonbare reden heeft voor het niet onverwijld melden. Gelet op de kwetsbare toestand van eiser na jaren van ontheemding, is het namelijk begrijpelijk en een menselijke reactie dat hij wilde uitrusten. Eiser was daarnaast in de veronderstelling dat hij zich niet onmiddellijk hoefde te melden, omdat hij niet op illegale wijze Nederland is binnengekomen. Tot slot verwijst eiser naar de uitspraak [5] van deze rechtbank en vindt hij dat het besluit in strijd met het Unierecht, omdat verweerder geen overleg heeft gevoerd met de Griekse autoriteiten over het intrekken van de vluchtelingenstatus.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Mocht verweerder de rekrutering door de PKK ongeloofwaardig vinden?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eisers verklaringen over de rekrutering door de PKK geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en daarmee ongeloofwaardig zijn. De rechtbank kan namelijk niet zonder meer volgen dat eisers verklaringen summier en te algemeen zijn. Eiser heeft immers verklaard dat hij twee keer is benaderd door de PKK en hij heeft gedetailleerd uitgelegd hoe dit is gegaan. Eiser verklaart onder andere over waar en wanneer dit heeft plaatsgevonden, door wie hij is benaderd, hoe het gesprek is verlopen en hoe hij dit heeft ervaren. [6] De rechtbank kan evenmin volgen dat eiser wordt tegengeworpen dat er geen sprake zou zijn van een gedwongen rekrutering. Eiser heeft namelijk enkel verklaard dat hij twee keer is benaderd door de PKK en dat er aan hem is gevraagd of hij zich wilde aansluiten. Eiser heeft zelf niet benoemd dat er sprake is van een gedwongen rekrutering.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat zijn verklaringen niet overeenkomen met algemene landeninformatie. Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht [7] van maart 2023, waaruit blijkt dat er geen berichten zijn over gedwongen rekrutering van volwassenen. Op zitting heeft verweerder bevestigd dat hij uitgaat van deze informatie. Eiser heeft echter al in zijn zienswijze [8] gewezen op recentere landeninformatie waaruit blijkt dat ook jongeren en Jezidi-mannen worden gerekruteerd dan wel benaderd door gewapende groeperingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze recentere informatie onvoldoende betrokken bij zijn beoordeling.
7. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het mogelijk is om de aanvraag af te doen op enkel de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw. De rechtbank geeft verweerder mee dat uit jurisprudentie [9] volgt dat een asielverzoek niet enkel kan worden afgewezen op grond van de enkele omstandigheid dat een verzoek niet zo snel mogelijk, maar pas na twee dagen, is gedaan terwijl daar geen overtuigende verklaring voor is gegeven.
Mocht verweerder vinden dat eiser geen vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Irak?
8. Verweerder vindt het geloofwaardig dat eiser als Jezidi te maken heeft gehad met discriminatie, maar heeft zich op het standpunt mogen stellen dat deze discriminatie niet zodanig ernstig is dat hij bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege zijn Jezidi-afkomst en religie. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat niet is gebleken dat eiser door de discriminatie zo ernstig beperkt werd in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kon functioneren. Eiser heeft zich staande kunnen houden in Irak, kon documenten aanvragen, had opvang, kon af en toe werken en had toegang tot medische zorg.
Mocht verweerder vinden dat eiser geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Irak?
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak risico op ernstige schade loopt als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn [10] . Verweerder heeft in die conclusie mogen verwijzen naar het landgebonden beleid voor Irak waaruit blijkt dat in de regio [plaats] sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, dat niet voldoet aan ‘the most extreme case of general violence’ zoals vereist in de meest uitzonderlijke situatie onder artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Met de bronnen die eiser in de zienswijze heeft ingebracht is dat beeld niet weerlegd.
9.1.
Ook heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat de individuele omstandigheden van eiser niet maken dat hij een verhoogd risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De door eiser genoemde omstandigheden, zoals zijn Jezidi etniciteit en de discriminatie die hij daardoor heeft ervaren, zien namelijk op risicoverhogende factoren voor individueel gericht geweld en niet op een hoger risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. Ook van andere individuele omstandigheden die dit risico op ernstige schade in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn voor eiser verhogen is volgens de rechtbank niet gebleken.
10. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar Irak geen reëel risico op ernstige schade loopt als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. Uit vaste rechtspraak van het EHRM [11] volgt dat, om binnen de reikwijdte van de bescherming van artikel 3 van Pro het EVRM te vallen, de behandeling een ‘minimum level of severity’ moet bereiken. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, zoals de duur van de behandeling, de fysieke en mentale gevolgen ervan, en in sommige gevallen het geslacht, de leeftijd en de gezondheid van betrokkene. [12] Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar het ambtsbericht [13] , waaruit blijkt dat de omstandigheden in de kampen in de [provincie] slecht zijn en dat er onder meer een gebrek was aan elektriciteit, water, toiletten en hygiëne. Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de humanitaire situatie niet dusdanig ernstig genoeg is, omdat eiser toegang had tot medische zorg en heeft kunnen werken. Gelet op het beeld dat naar voren komt uit de landeninformatie, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat humanitaire situatie in de vluchtelingenkampen niet het ‘minimum level of severity’ bereikt en daarmee geen schending van artikel 3 van Pro het EVRM oplevert. Daarnaast heeft eiser er in de zienswijze op gewezen dat het vluchtelingenkamp Sardashte, waar eiser verbleef voorafgaand aan zijn vertrek uit Irak, mogelijk gesloten is. Verweerder is hier in het bestreden besluit niet op in gegaan. Verweerder heeft onvoldoende zorgvuldig gehandeld door niet nader te onderzoeken wat de situatie is dit vluchtelingenkamp en niet na te gaan of het vluchtelingenkamp inderdaad gesloten is.
10.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt of het nieuwe ambtsbericht van 2025 [14] is betrokken in zijn beoordeling. Op zitting heeft de rechtbank verweerder er op gewezen dat er inmiddels een nieuw thematisch ambtsbericht is over de situatie in de ontheemdenkampen. Hoewel dit ambtsbericht grotendeels over de situatie van de ontheemdenkampen in de KAR gaat, staat er ook informatie vermeld over de regio [plaats]. [15] Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder dit nieuwe ambtsbericht heeft betrokken dan wel hoe dat is gewogen in de beoordeling. Ook ter zitting heeft de rechtbank hier geen duidelijk beeld van gekregen.
10.2.
Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 3:46 van Pro de Awb. Nu uit het voorgaande al volgt dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit wordt vernietigd, zal de rechtbank geen oordeel geven over de overige beroepsgronden.
Terugkeerbesluit
11. Tot slot heeft de rechtbank op zitting verweerder gewezen op haar uitspraak [16] van de meervoudige kamer. Verweerder heeft te kennen gegeven dat hij Griekenland op de hoogte heeft gesteld van het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit, maar niet de reactie van Griekenland zal afwachten. De rechtbank geeft verweerder mee dat uit de hiervoor vermelde uitspraak volgt dat verweerder de reactie van Griekenland moet betrekken bij het nieuwe besluit en daarbij dient te motiveren wat dit betekent voor een eventueel nieuw terugkeerbesluit.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
13. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-. [17]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 2 december 2025;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, onder c, van Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw.
3.Islamitische Staat.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, van 6 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21083.
6.Gehoorverslag nader gehoor, pagina 10 t/m 15.
7.Algemeen Ambtsbericht Irak, maart 2023.
8.Zienswijze, pagina 5 en bijlage 7.
9.Uitspraak van de Rechtbank Den Haag, van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440.
10.Richtlijn 2011/95/EU
11.Europees Hof van de Rechten van de Mens.
12.Beslissing van het Europees Hof van de Rechten van de Mens, Mayeka en Mitunga tegen België, van 12 oktober 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:1012JUD001317803, punt 48.
13.Algemeen Ambtsbericht Irak, december 2023, pagina 93.
14.Thematisch Ambtsbericht Irak, november 2025.
15.Thematisch Ambtsbericht Irak, november 2025, pagina 7.
16.Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, van 6 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21083.
17.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.