Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9442

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL25.60682
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond: onvoldoende gemotiveerde afwijzing asielaanvraag Eritrese vreemdeling

Eiser, een Eritrese nationaliteit dragende vreemdeling, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen op grond van het ontbreken van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Eritrea.

De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser, ondanks zijn legale uitreis en het bezit van een uitreisvisum, geen reëel risico loopt. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij in de belangstelling staat van de Eritrese autoriteiten vanwege zijn werkzaamheden en dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden de proceskosten ten laste van verweerder vastgesteld.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering over het risico bij terugkeer.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60682

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Drenth),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: R.I. Schrijnemachers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R. Ibrahim als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren [geboortedatum] 1977. Eiser heeft verklaard dat [functie] en dat hij Eritrea legaal heeft verlaten om in Hongarije een [cursus] te volgen. Hij is niet terug gekeerd naar Eritrea en is naar Nederland gekomen om asiel aan te vragen. Eiser vreest bij terugkeer naar Eritrea om als landverrader te worden gezien en in detentie te worden geplaatst of gedood te worden.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder het volgende asielmotief:
1. eisers identiteit, nationaliteit en herkomst.
4. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verweerder vindt dat eiser bij terugkeer naar Eritrea geen vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingverdrag en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft daarbij betrokken dat eiser legaal is uitgereisd en een paspoort en uitreisvisum heeft gekregen van de Eritrese autoriteiten en verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van december 2023, waaruit blijkt dat het niet aannemelijk is dat eiser problemen krijgt bij terugkeer. Verweerder vindt daarnaast dat eiser zijn vrees vanwege zijn twee detenties niet aannemelijk heeft gemaakt. Hij heeft namelijk een paspoort kunnen vragen van de Eritrese autoriteiten en verweerder vindt het niet aannemelijk dat eiser toestemming krijgt om het land te verlaten, als hij in het verleden in de gevangenis heeft gezeten. Verder vindt verweerder de twee detentieperiodes niet relevant voor eisers vertrek uit Eritrea. De eerste detentie vond namelijk plaats in 2017 en eiser heeft niet geprobeerd om daarna het land te verlaten. De tweede detentie in 2022 houdt geen enkel verband met de door eiser gestelde vrees, omdat het een civiele kwestie op lokaal niveau betreft. Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt gesteld dat de vrees van eiser enkel is gebaseerd op eigen aannames en op wat hij van derden heeft gehoord.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe de volgende gronden aan. Eiser vindt dat hij wel gevaar loopt bij terugkeer naar Eritrea, omdat hij asiel heeft aangevraagd in het buitenland en zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden van het visum. Uit het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van december 2025 blijkt namelijk dat terugkeer na een legale uitreis de terugkeerder niet vrijwaarde van problemen en dat asiel aanvragen in het buitenland een risicofactor is. Verweerder stelt zich daarnaast ten onrechte op het standpunt dat eiser geen persoonlijke problemen heeft, omdat hij een op naam gezet uitreisvisum heeft en een op naam gezette uitnodiging van [organisatie] . De autoriteiten zijn daarom op de hoogte van zijn vertrek. Verder willen de Eritrese autoriteiten dat hij terugkeert, omdat hij een belangrijk onderdeel is van het [programma] . Eiser staat dus wel degelijk in de belangstelling van de Eritrese autoriteiten. Eiser heeft zich ook negatief uitgelaten over Eritrea. Tot slot is eiser het niet eens met terugkeerbesluit. Eiser kan namelijk niet terugkeren naar Eritrea en hij is een leven aan het opbouwen in Nederland. Hij is verbonden aan diverse sportclubs en hij is een waardevolle toevoeging voor Nederland.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Mocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer naar Eritrea geen reëel risico loopt op ernstige schade?
6.1.
In de toelichting van 30 april 2025 op het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van december 2023 wordt bevestigd dat uit twee in het ambtsbericht aangehaalde bronnen kan worden opgemaakt dat aan het uitreisvisum (in bepaalde gevallen van officiële reisdoelen) een termijn verbonden was waarbinnen de houder moest terugkeren, maar volgt ook dat uit verschillende andere bronnen expliciet blijkt dat er aan een uitreisvisum geen terugkeertermijn is verbonden. Personen die reisden voor officieel bezoek in het buitenland lopen het risico dat hun verblijf in het buitenland als illegaal werd beschouwd indien zijn niet terugkeerden na het bezoek. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser stelt [functie] en te zijn uitgenodigd voor een [cursus] in Hongarije, waarvoor hij een uitreisvisum heeft verkregen. Eiser heeft in het nader gehoor en in de zienswijze aangevoerd dat er een terugkeertermijn gebonden is aan zijn uitreisvisum. Daarnaast heeft hij stukken overgelegd waaruit zijn reis- en vluchtschema blijkt. Eiser heeft er daarnaast op gewezen dat het uitreisvisum en de uitnodiging op zijn naam staan. De rechtbank acht het tegen deze achtergrond aannemelijk dat de Eritrese autoriteiten bekend waren met eisers [cursus] in Hongarije en mogelijk ook met de einddatum daarvan. Gelet op eisers werkzaamheden als onderdeel van het [programma] acht de rechtbank het eveneens aannemelijk dat eiser in ieder geval in de belangstelling van de Eritrese autoriteiten staat. Gelet hierop, heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende betrokken dat in het geval van eiser sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Gelet op de potentieel ernstige gevolgen voor eiser bij terugkeer, oordeelt de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerders verwijzing naar het recente ambtsbericht [1] , waaruit blijkt Eritrese onderdanen na een legale uitreis op een willekeurig moment kunnen terugkeren naar Eritrea, maakt het voorgaande niet anders. Zoals reeds overwogen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in zijn beoordeling onvoldoende meegewogen dat er in het geval van eiser mogelijk sprake is van een uitzonderlijke situatie.
7. Uit het voorgaande volgt al dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank zal daarom geen oordeel geven over de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
9. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-. [2]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 4 december 2025;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemeen Ambtsbericht Eritrea, december 2025.
2.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.