Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.Het verloop van de procedure
- de aan de Raad gerichte en op 26 januari 2026 gedateerde aanvraag van de gecertificeerde instelling om de beslissing om geen verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken, te toetsen;
- het op 6 februari 2026 gedateerde document getiteld ‘de beslissing van de gecertificeerde instelling om geen verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken’;
- het op 6 februari 2026 vastgestelde Plan van Aanpak (Afsluitrapportage) van de gecertificeerde instelling;
- de toetsing van de Raad, gedateerd op 1 april 2026;
- het herstelrekest van de Raad, gedateerd op 2 april 2026.
- [naam 1] namens de Raad;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
- de moeder;
- de vader via een telefonische verbinding.
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De beoordeling
[minderjarige] kreeg aanvankelijk hulp van een coach van [instelling 1] en vanuit [instelling 2] was voor [minderjarige] en haar moeder een gezinscoach betrokken. Deze hulpverlening werd door [minderjarige] en haar moeder als positief en helpend ervaren. In de zomer van 2025 heeft de jeugdbeschermer bij de gemeente Den Haag, de betrokken gemeente in deze, een verzoek ingediend om verlenging van deze vormen van hulpverlening. [instelling 3] , de organisatie die in opdracht van de gemeente de jeugdhulp (in bepaalde postcodegebieden) uitvoert en in dit verband ook de taak toebedeeld heeft gekregen om aanvragen als hier aan de orde te beoordelen, heeft vervolgens verlenging toegestaan voor drie maanden (tot oktober 2025). Hierna echter heeft [instelling 3] te kennen gegeven dat verdere verlenging niet mogelijk is omdat [instelling 3] dezelfde hulp als die [minderjarige] en haar moeder ontvingen, kan bieden vanuit (andere) instanties waarbij de gemeente hulp heeft ingekocht. De jeugdbeschermer heeft hierop aan [instelling 3] laten weten dat [instelling 3] vanuit de rol zie zij heeft, de beslissing van een gecertificeerde instelling niet kan beïnvloeden, [instelling 3] niet kan bepalen welke hulp passend is voor een bepaald gezin, de jeugdbeschermer op deze manier de ondertoezichtstelling niet adequaat kan uitvoeren en zij zich daarom genoodzaakt voelt het gezin aan [instelling 3] over te dragen. De jeugdbeschermer, die van oordeel was dat verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk was, heeft de aanmelding bij [instelling 3] vervolgens doorgezet, in de verwachting dat [instelling 3] passende hulp zou kunnen (gaan) inzetten. Inmiddels, vele maanden verder, is de voor [minderjarige] en haar moeder noodzakelijk geachte hulpverlening nog steeds niet ingeschakeld. Vanuit [instelling 3] is wel meegedeeld dat als er een belangrijke hulpvraag ligt, de ouders ook zelf een aanmelding kunnen doen; dit is de snelste route, aldus [instelling 3] , en die aanmelding kan [instelling 3] eventueel prioriteren. Voor een dergelijke aanmelding is echter ook de toestemming van de vader van [minderjarige] nodig en omdat hij wantrouwend is richting hulpverlening, is het volgens de jeugdbeschermer de vraag of dit snel geregeld kan worden.
Kort voorafgaand aan de zitting heeft de jeugdbeschermer van [instelling 3] het volgende begrepen:
- als de kinderrechter het verzoek van de Raad toewijst, dan kan binnen de looptijd van de ondertoezichtstelling de zaak door [instelling 3] worden opgepakt;
- als de kinderrechter het verzoek van de Raad afwijst, dan kan [instelling 3] de zaak binnen twee weken in het vrijwillig kader overnemen.
De jeugdbeschermer heeft in dit verband nog naar voren gebracht dat zij, als de kinderrechter het verzoek van de Raad toewijst, waarschijnlijk als jeugdbeschermer bij het gezin betrokken kan blijven, maar dat er wel een kans bestaat dat de zaak bij de gecertificeerde instelling op de zogenoemde ‘monitorlijst’ komt te staan.
5.De beslissing
een nader te bepalen zitting, bij voorkeur een zitting van mr. J.E. Bierling, gelegen vóór 16 mei 2026;
- de vader;
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.