Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9415

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/09/702632
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Korte toewijzing verzoek ondertoezichtstelling met onderzoek hulpverlening in dwangkader of vrijwillig kader

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling van een minderjarige, waarbij de kinderrechter de zaak aanhield om te onderzoeken of de noodzakelijke hulpverlening door de betrokken instelling binnen het dwang- of vrijwillig kader kan worden georganiseerd.

De ondertoezichtstelling was eerder verlengd tot 28 maart 2026, maar de hulpverlening stagneerde doordat de betrokken gemeente en instelling geen verdere verlenging van de hulpverlening toestonden. De gecertificeerde instelling en de Raad uitten hun zorgen over de continuïteit en het belang van voorspelbare structuur voor de minderjarige.

De kinderrechter besloot de minderjarige voor een korte periode van één maand onder toezicht te stellen en de behandeling aan te houden tot een nader te bepalen zitting. De Raad werd verzocht uiterlijk een week voor die zitting een update te geven over de voortgang van de hulpverlening. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.

Uitkomst: De minderjarige wordt voor één maand onder toezicht gesteld en de verdere behandeling wordt aangehouden om de organisatie van hulpverlening te onderzoeken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/702632 / JE RK 26-553
Datum uitspraak: 16 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,te Den Haag,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de aan de Raad gerichte en op 26 januari 2026 gedateerde aanvraag van de gecertificeerde instelling om de beslissing om geen verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken, te toetsen;
  • het op 6 februari 2026 gedateerde document getiteld ‘de beslissing van de gecertificeerde instelling om geen verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken’;
  • het op 6 februari 2026 vastgestelde Plan van Aanpak (Afsluitrapportage) van de gecertificeerde instelling;
  • de toetsing van de Raad, gedateerd op 1 april 2026;
  • het herstelrekest van de Raad, gedateerd op 2 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] namens de Raad;
  • [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder;
  • de vader via een telefonische verbinding.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening over het verzoek gevraagd. [minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 maart 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 28 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter moet de vraag beantwoorden of [minderjarige] (nu de eerder door de kinderrechter van deze rechtbank uitgesproken periode van ondertoezichtstelling is verstreken) opnieuw onder toezicht moet worden gesteld.
4.2.
De gecertificeerde instelling, in de persoon van de voormalige jeugdbeschermer (hierna ten behoeve van de leesbaarheid: de jeugdbeschermer), heeft schriftelijk en ter zitting het volgende naar voren gebracht over het verloop van de ondertoezichtstelling tussen 25 maart 2025 en 28 maart 2026.
[minderjarige] kreeg aanvankelijk hulp van een coach van [instelling 1] en vanuit [instelling 2] was voor [minderjarige] en haar moeder een gezinscoach betrokken. Deze hulpverlening werd door [minderjarige] en haar moeder als positief en helpend ervaren. In de zomer van 2025 heeft de jeugdbeschermer bij de gemeente Den Haag, de betrokken gemeente in deze, een verzoek ingediend om verlenging van deze vormen van hulpverlening. [instelling 3] , de organisatie die in opdracht van de gemeente de jeugdhulp (in bepaalde postcodegebieden) uitvoert en in dit verband ook de taak toebedeeld heeft gekregen om aanvragen als hier aan de orde te beoordelen, heeft vervolgens verlenging toegestaan voor drie maanden (tot oktober 2025). Hierna echter heeft [instelling 3] te kennen gegeven dat verdere verlenging niet mogelijk is omdat [instelling 3] dezelfde hulp als die [minderjarige] en haar moeder ontvingen, kan bieden vanuit (andere) instanties waarbij de gemeente hulp heeft ingekocht. De jeugdbeschermer heeft hierop aan [instelling 3] laten weten dat [instelling 3] vanuit de rol zie zij heeft, de beslissing van een gecertificeerde instelling niet kan beïnvloeden, [instelling 3] niet kan bepalen welke hulp passend is voor een bepaald gezin, de jeugdbeschermer op deze manier de ondertoezichtstelling niet adequaat kan uitvoeren en zij zich daarom genoodzaakt voelt het gezin aan [instelling 3] over te dragen. De jeugdbeschermer, die van oordeel was dat verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk was, heeft de aanmelding bij [instelling 3] vervolgens doorgezet, in de verwachting dat [instelling 3] passende hulp zou kunnen (gaan) inzetten. Inmiddels, vele maanden verder, is de voor [minderjarige] en haar moeder noodzakelijk geachte hulpverlening nog steeds niet ingeschakeld. Vanuit [instelling 3] is wel meegedeeld dat als er een belangrijke hulpvraag ligt, de ouders ook zelf een aanmelding kunnen doen; dit is de snelste route, aldus [instelling 3] , en die aanmelding kan [instelling 3] eventueel prioriteren. Voor een dergelijke aanmelding is echter ook de toestemming van de vader van [minderjarige] nodig en omdat hij wantrouwend is richting hulpverlening, is het volgens de jeugdbeschermer de vraag of dit snel geregeld kan worden.
Kort voorafgaand aan de zitting heeft de jeugdbeschermer van [instelling 3] het volgende begrepen:
- als de kinderrechter het verzoek van de Raad toewijst, dan kan binnen de looptijd van de ondertoezichtstelling de zaak door [instelling 3] worden opgepakt;
- als de kinderrechter het verzoek van de Raad afwijst, dan kan [instelling 3] de zaak binnen twee weken in het vrijwillig kader overnemen.
De jeugdbeschermer heeft in dit verband nog naar voren gebracht dat zij, als de kinderrechter het verzoek van de Raad toewijst, waarschijnlijk als jeugdbeschermer bij het gezin betrokken kan blijven, maar dat er wel een kans bestaat dat de zaak bij de gecertificeerde instelling op de zogenoemde ‘monitorlijst’ komt te staan.
4.3.
De Raad heeft schriftelijk en ter zitting zijn verbazing over de gang van zaken uitgesproken. Dat de continuïteit van de hulpverlening voor [minderjarige] en haar moeder is doorbroken op de wijze zoals door de gecertificeerde instelling beschreven, is niet in het belang van [minderjarige] en haar moeder en dit maakt dat de zorgen die er al lange tijd zijn, blijven voortbestaan. Voor [minderjarige] is een voorspelbare structuur en voortgezet toezicht nodig. Positief is te noemen dat [minderjarige] meer dan voorheen naar dagbesteding gaat en zij binnenkort kan gaan starten met een mbo-opleiding. Er is echter méér nodig. De Raad heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de hulp voor [minderjarige] en haar moeder vanuit [instelling 3] snel geregeld kan zijn, ook als de ouders zelf een aanmelding zouden doen, wat de Raad overigens als omslachtig voorkomt.
4.4.
De kinderrechter overweegt als volgt. Alle betrokkenen zijn het er over eens dat er nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] . De vraag die dan resteert, is hoe deze ontwikkelingsbedreiging kan worden weggenomen, meer in het bijzonder of dit binnen een ondertoezichtstelling moet of in het vrijwillig kader kan.
4.5.
Met de Raad en de gecertificeerde instelling is de kinderrechter van oordeel dat de stagnatie in de hulpverlening, waar zowel [minderjarige] en haar moeder veel aan hadden, en de wijze waarop [instelling 3] in dit verband heeft geopereerd, opmerkelijk en zorgwekkend is te noemen. Dit is niet in het belang (geweest) van [minderjarige] en haar moeder. De kinderrechter kan de Raad en de gecertificeerde instelling ook volgen waar zij stellen er weinig vertrouwen (meer) in te hebben dat [instelling 3] op korte termijn de noodzakelijk geachte hulpverlening alsnog kan inzetten.
4.6.
De kinderrechter wenst op korte termijn te vernemen of [instelling 3] de door de jeugdbeschermer die hulpverlening kan organiseren (in het dwangkader of het vrijwillig kader) en zo ja, op welke termijn dit kan starten. Gelet op de door [instelling 3] aan de jeugdbeschermer gedane toezegging dat [instelling 3] bij een toewijzing van het verzoek van de Raad op korte termijn aan de slag zal gaan, zal de kinderrechter [minderjarige] voor een korte periode, te weten één maand, onder toezicht stellen en de behandeling van het verzoek voor het overige aanhouden tot een nader te bepalen zitting. De Raad wordt verzocht uiterlijk één week vóór de zitting te laten weten of het verzoek wordt gehandhaafd en zo ja, aan de kinderrechter, de belanghebbenden en de gecertificeerde instelling een update over de meest recente ontwikkelingen te verstrekken.
4.7.
Reden om tot een korte toewijzing van het verzoek te besluiten, is er ook in gelegen dat, als het verzoek zou worden afgewezen en de noodzakelijk geachte hulpverlening niet op korte termijn van de grond komt, de vraag rijst wie het voortouw zal nemen om de zaak (weer) onder de aandacht te brengen van de Raad. Aanhouding van de behandeling van het verzoek bergt voorts, gelet op hetgeen [instelling 3] kort voor de zitting aan de jeugdbeschermer heeft laten weten, het risico in zich dat [instelling 3] de zaak niet (snel) gaat oppakken.
4.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.9.
Omdat de kinderrechter recent nog met [minderjarige] heeft gesproken, ziet zij geen aanleiding om haar nogmaals voor een kindgesprek uit te nodigen.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige] met ingang van 16 april 2026 tot 16 mei 2026 onder toezicht van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;
5.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot
een nader te bepalen zitting, bij voorkeur een zitting van mr. J.E. Bierling, gelegen vóór 16 mei 2026;
5.3.
verzoekt de Raad om uiterlijk een week vóór 16 mei 2026 aan de kinderrechter, de belanghebbenden en de gecertificeerde instelling te laten weten of het verzoek wordt gehandhaafd en zo ja, een update te verstrekken over de meest recente ontwikkelingen;
5.4.
vraagt de griffier om voor de nog nader te bepalen zitting op te roepen:
- de Raad;
- de moeder;
- de vader;
- de gecertificeerde instelling;
5.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.E. Bierling, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026, in aanwezigheid van S.A. van Schaik-van Dommelen als griffier op schrift gesteld op 20 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.