Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9414

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL24.52158 NL24.52159 en NL24.52160
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 3 EVRMArt. 3:119 Vb 2000Art. 6:22 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvragen wegens schending samenwerkingsverplichting

Eisers, een vader, moeder en zoon uit Colombia, vroegen asiel aan vanwege bedreigingen en afpersingen door de ELN, een gewapende groepering, en het sociaal leiderschap van de vader. De minister wees de aanvragen af, stellende dat geen reëel risico op ernstige schade bestond.

De rechtbank oordeelt dat het besluit op de asielaanvraag van de vader onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat de minister onvoldoende vragen stelde tijdens het aanvullend gehoor over belangrijke nieuwe informatie, zoals een moord op een collega en een dreigbrief. Hierdoor is de samenwerkingsverplichting geschonden.

De rechtbank vernietigt de besluiten en draagt de minister op binnen 16 weken nieuwe besluiten te nemen, waarbij de vader opnieuw wordt gehoord. Omdat de aanvragen van moeder en zoon afhankelijk zijn van die van de vader, worden ook hun besluiten vernietigd. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvragen wegens schending van de samenwerkingsverplichting en draagt de minister op nieuwe besluiten te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.52158, NL24.52159 en NL24.52160

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaken tussen

[eiser 1], v-nummer [nummer 1], eiser (vader)

[eiseres], v-nummer [nummer 2], eiseres (moeder)
[eiser 2], v-nummer [nummer 3], eiser 2 (zoon)
samen eisers
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij)
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. I. Lohmann-Kamphuis).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000. [1] Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kan blijven. Het besluit op de asielaanvraag van eiser is namelijk onzorgvuldig tot stand gekomen vanwege het schenden van de samenwerkingsverplichting. Het beroep van eiser is daarom gegrond. Omdat de asielaanvragen van eiseres en eiser 2 afhankelijk zijn van eiser, zijn ook hun beroepen gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 tot en met 8 zet de rechtbank de asielmotieven van eisers en de besluitvorming van de minister daarover uiteen. Vanaf 9 en verder gaat de rechtbank in op de totstandkoming van het besluit van eiser en het aanvullend gehoor. Onder 11 gaat de rechtbank in op de geschilpunten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 12. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of het aanvullend gehoor van eiser zorgvuldig is verlopen en wat de gevolgen daarvan zijn voor de beroepen van eisers. Aan het eind, onder 13 en 13.1 staat de conclusie van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 31 mei 2022 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 2 december 2024 deze aanvragen afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eisers hebben beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas van eiser
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Colombia drie ondernemingen heeft gehad. Dit betrof het bedrijf [naam bedrijf 1] dat is opgericht door de vader van eiser, het bedrijf [naam bedrijf 2] en het bedrijf [naam bedrijf 3]. Eiser werkte samen met zijn broers en zussen in deze bedrijven. Voor het bedrijf [naam bedrijf 3] deed hij de boekhouding. [naam bedrijf 3] werd vanaf mei 2014 afgeperst door de stedelijke gewapende groepering ELN. [2] Eiser kwam hier in 2021 achter nadat zijn zus dit aan hem had verteld. [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] zijn ook doelwit geweest van afpersingen rond mei/juni 2016, maar eiser heeft geweigerd om te betalen. Hij heeft het huis van zijn echtgenote verkocht in juni 2016, zodat de afpersers zouden vermoeden dat hij geen bezittingen meer heeft. Eiser heeft vervolgens in 2017 [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] gesloten en in 2019 [naam bedrijf 2] weer geopend. In 2016 is hij twee of drie keer bedreigd door de ELN. Ook heeft hij vanaf 2021 dreigtelefoontjes vanwege [naam bedrijf 3] ontvangen. Op 2 februari 2022 heeft eiser aangifte gedaan via de stichting [naam stichting 1] bij de Procuraduria General de la Nacion (autonoom controle orgaan inzake bestuur). Deze aangifte is door de Procuradoruia General de la Nacion verstuurd aan de Ombudsman (Defensoria del Pueblo) en het gemeentelijke orgaan van het OM van de mensenrechten (Personeria Municipal). Vervolgens is eiser na beraad met zijn broers en zussen gevlucht uit Colombia. Bij terugkeer vreest hij vermoord te worden door de ELN.
Het bestreden besluit van eiser
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Afpersing/bedreiging van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2];
- Afpersing/bedreiging van [naam bedrijf 3].
4.1.
Nadat eiser een zienswijze heeft ingediend heeft de minister op 5 januari 2024 een aanvullend voornemen uitgebracht en heeft hij daarin nog twee asielmotieven aangenomen:
- Sociaal leider;
- Problemen vanwege het zijn van een sociaal leider.
4.2.
De minister acht alle asielmotieven geloofwaardig, behalve dat eiser problemen heeft gehad vanwege het zijn van een sociaal leider. De geloofwaardig geachte asielmotieven maken volgens de minister niet dat eiser een vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Bij terugkeer naar Colombia loopt eiser volgens de minister ook geen reëel risico op ernstige schade.
Het asielrelaas van eiseres
5. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij Colombia op 27 mei 2022 heeft verlaten naar aanleiding van de activiteiten van haar echtgenoot (eiser), waardoor hij is bedreigd en afgeperst door ELN. De echtgenoot van eiseres had bedrijven en was sociaal leider. Bij terugkeer naar Colombia vreest eiseres om te worden vermoord door de ELN.
Het bestreden besluit van eiseres
6. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Problemen van haar echtgenoot.
6.1.
De minister acht de asielmotieven geloofwaardig. Deze geloofwaardig geachte asielmotieven maken alleen niet dat de minister eiseres aanmerkt als een vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Dat eiseres uit Colombia komt is op zichzelf ook niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen. Ook de problemen van haar echtgenoot maken niet dat eiseres bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op ernstige schade.
Het asielrelaas van eiser 2
7. Eiser 2 legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in 2022 van zijn vader (eiser) te horen kreeg dat zijn familie sinds 2021 wordt bedreigd door ELN. Eén familiebedrijf genaamd [naam bedrijf 3], werd vanaf 2015/2016 maandelijks afgeperst door de ELN. Omdat door de coronapandemie met terugwerkende kracht geld werd betaald aan ELN en dat geld er niet is, wordt de familie van eiser 2 bedreigd. Daarom is eiser 2 ondergedoken in een huis in een andere plaats, waarna hij Colombia heeft verlaten met zijn gezin. Eiser 2 vreest bij terugkeer vermoord te worden door de ELN of door anderen te worden verraden als er een prijs op zijn hoofd staat.
Het bestreden besluit van eiser 2
8. Het asielrelaas van eiser 2 bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Problemen van zijn vader.
8.1.
De minister acht de asielmotieven geloofwaardig. De geloofwaardig geachte asielmotieven maken alleen niet dat de minister eiser 2 aanmerkt als een vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Dat eiser 2 uit Colombia komst is op zichzelf ook niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen. Ook de problemen van zijn vader maken niet dat eiser 2 bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op ernstige schade.
Toelichting op de besluiten en de gronden
9. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden zich primair richten tegen het besluit op de asielaanvraag van eiser. Eiseres en eiser 2 hebben een afgeleid asielrelaas en afgeleide asielmotieven, namelijk dat zij gevaar lopen vanwege de problemen van eiser. Bij de asielmotieven van eiseres en eiser 2 zien de geloofwaardig geachte problemen van eiser op de afpersingen en bedreigingen en niet op de door eiser gestelde problemen vanwege het zijn van sociaal leider De rechtbank zal eerst inhoudelijk ingaan op de gronden van eiser en daarna aangeven wat dat betekent voor de besluiten op de asielaanvragen van eiseres en eiser 2.
Kern van het besluit en aanvullend gehoor
10. In het eerste voornemen van 16 november 2023 heeft de minister het voornemen geuit om de aanvraag van eiser af te wijzen. Reden hiertoe was dat de bedreiging en afpersing van de bedrijven [naam bedrijf 1], [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 2] wel geloofwaardig werden geacht, maar dit niet maakte dat eiser en zijn gezin konden worden aangemerkt als vluchtelingen in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Evenmin was aannemelijk dat zij door de afpersing en bedreiging bij terugkeer naar Colombia een reëel risico zouden lopen op ernstige schade. In de zienswijze van 19 december 2023 heeft eiser verklaard dat de opsomming van asielmotieven [3] niet compleet is. Eiser heeft in het nader gehoor [4] namelijk ook verteld dat hij sociaal leider is en is aangesloten bij de Stichting [naam stichting 1]. Dit is een stichting die ontheemde Afro-Colombianen bijstaat. Daarnaast is eiser ook werkzaam voor de Stichting [naam stichting 2]. Eiser loopt als gevolg van dit sociaal leiderschap risico om slachtoffer te worden van de ELN. Eiser wijst er op, onder bijvoeging van een nieuwsbericht van 7 december 2023, dat een sociaal leider is vermoord in Cali. [5] Volgens eiser moest deze informatie ook betrokken worden bij de vaststelling van de asielmotieven en bij de beoordeling daarvan.
10.1.
In reactie op deze zienswijze heeft de minister op 5 januari 2024 een tweede voornemen uitgebracht waarin eiser wordt gevolgd dat de opsomming in het eerste voornemen niet volledig is geweest omdat zijn sociaal leiderschap in Colombia niet in het voornemen is betrokken. In het tweede voornemen neemt de minister het standpunt in dat niet geloofwaardig wordt geacht dat eiser vanwege zijn rol als sociaal leider in Colombia problemen heeft ondervonden. Volgens de minister heeft eiser alleen verwezen naar de algemene situatie voor sociaal leiders. Ook zijn gestelde vrees is volgens de minister niet onderbouwd. Uit openbare bronnen en landeninformatie volgt weliswaar dat geweld tegen sociaal leiders toeneemt of dat sociaal leiders worden vermoord. Uit de door eiser aangehaalde informatie volgt alleen niet dat sociaal leiders worden aangemerkt als risicogroep of als kwetsbare minderheidsgroep volgens het Nederlandse beleid. De minister stelt vervolgens dat eiser geen individuele omstandigheden heeft aangedragen waaruit blijkt dat hij persoonlijk risico op ernstige schade loopt vanwege het zijn van een sociaal leider. Daarbij is van belang dat onder andere ongeloofwaardig wordt geacht dat eiser in het verleden vanwege zijn rol als sociaal leider problemen heeft ondervonden in Colombia. Ook stelt de minister dat eiser algemeen blijft in reactie op de vraag waarvoor hij vreest als sociaal leider. Kortom; de minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet op persoonlijke gronden aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Colombia een risico loopt op ernstige schade vanwege het zijn van een sociaal leider.
10.2.
In reactie op het tweede voornemen van 5 januari 2024 heeft eiser op 24 januari 2024 een aanvullende zienswijze ingediend. Hierin heeft hij nader toegelicht waarom hij vanwege het zijn van een sociaal leider in Colombia bij terugkeer wél een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Daarbij heeft eiser een aantal bijlages overgelegd. Het gaat om de volgende documenten:
- Bijlage 1: een verklaring van de Stichting [naam stichting 1] waarin staat dat de stichting op 5 december 2023 een dreigbrief heeft ontvangen met daarin een doodsbedreiging die is gericht tegen eiser en tegen zijn collega de heer [naam collega];
- Bijlage 2: een bewijs van aangifte (notariële verklaring) door de Stichting [naam stichting 1] van de gedane doodsbedreiging;
- Bijlage 3: een overzicht dat is opgesteld door de Stichting [naam stichting 1] met een link naar een website waarop is gepubliceerd dat in Colombia tot november 2023 in totaal 163 sociaal leiders zijn vermoord;
- Bijlage 4: een schriftelijke verklaring, van de ELN, gericht aan Stichting [naam stichting 1] waarin doodsbedreigingen tegen onder meer eiser en [naam collega] worden geuit.
10.3.
In de aanvullende zienswijze licht eiser toe dat [naam collega] is vermoord door de ELN. Dit maakt dat eiser en eiseres bij terugkeer vrezen voor hun leven. In de zienswijze van 19 december 2023 is al gewezen op deze moord en heeft eiser ter onderbouwing een nieuwsbericht meegestuurd. Volgens eiser wordt in het voornemen van 5 januari 2024 dan ook ten onrechte gesteld dat de moord niet is onderbouwd en dat hier niet verder op wordt ingegaan. De procedure is niet zorgvuldig verlopen en eiser verzoekt de minister daarom om hem aanvullend te horen.
10.4.
Naar aanleiding van deze aanvullende zienswijze heeft de minister eiser uitgenodigd voor een aanvullend gehoor dat op 8 augustus 2024 heeft plaatsgevonden. Vervolgens heeft de minister de aanvraag met het bestreden besluit van 2 december 2024 afgewezen als ongegrond.
Lopen eisers bij terugkeer naar Colombia een reëel risico op ernstige schade vanwege het werk van eiser als sociaal leider?
Wat is tussen partijen in geschil?
11. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser geen gegronde individuele vrees heeft en dat niet aannemelijk is geworden dat hij gevaar loopt. In de eerste plaats verwijst eiser naar zijn zienswijze van 24 januari 2024 waarin hij stelt dat hij op 22 januari 2024 vier bijlages heeft geüpload in het digitaal dossier. Per aangetekende post van 4 maart 2024, heeft eiser een originele verklaring van Stichting [naam stichting 1] over de dreigbrief aan Bureau Documenten verzonden voor onderzoek. Vervolgens is eiser door de minister uitgenodigd voor een aanvullend gehoor op 8 augustus 2024, waarin hem ten onrechte geen vragen zijn gesteld over de moord op zijn collega [naam collega]. Evenmin zijn vragen gesteld over de dreigbrief die de Stichting [naam stichting 1] had ontvangen. De minister stelt zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen over de dreigbrief en de moord op eisers collega niet worden gevolgd. Eiser heeft, anders dan de minister stelt, in de zienswijze van 19 december 2023 wel degelijk al melding gemaakt van de moord op zijn collega. Hij wist toen nog niet van de dreigbrief zodat het niet vermelden daarvan niet aan eiser kan worden tegengeworpen. Ook over de andere overgelegde stukken, genoemd onder 10.2., zijn door de minister in het aanvullend gehoor van 8 augustus 2024 geen vragen gesteld. Van eiser kan niet verwacht worden dat hij uit eigen beweging (uitgebreid) verklaard als de minister hier geen vragen over stelt en voor eiser ook onduidelijk is of de originele dreigbrief is onderzocht. De minister heeft de samenwerkingsplicht geschonden. Volgens eiser is gehandeld in strijd met artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
11.1.
De minister stelt zich – samengevat – op het standpunt dat eiser geen individuele omstandigheden heeft aangedragen waaruit volgt dat hij persoonlijk concrete problemen heeft ondervonden vanwege zijn werk bij Stichting [naam stichting 1]. Dat eiser stelt dat hij weinig problemen heeft ondervonden omdat hij niet zichtbaar werk verrichtte voor de stichting, volgt de minister niet. Eiser organiseerde verschillende bijeenkomsten en had via de stichting veel contacten. [6] De minister volgt eiser evenmin in zijn verklaring dat er op 5 december 2023 een dreigbrief is bezorgd en dat [naam collega] de dag daarna is vermoord. In de eerste plaats is het volgens de minister vreemd dat eiser pas in de aanvullende zienswijze melding maakt van deze collega terwijl het incident al had plaatsgevonden ten tijde van het indienen van de eerste zienswijze van 19 december 2023. Ook heeft eiser in de aanvullende zienswijze niet toegelicht wat zijn relatie was met [naam collega] en wat er precies is gebeurd. De minister acht het nog vreemder dat eiser in het aanvullend gehoor van 8 augustus 2024 niets heeft verklaard over de moord op zijn gestelde collega. Dit terwijl eiser zelf heeft verzocht om aanvullend te worden gehoord over zijn werk bij de stichting. Aan eiser is tweemaal gevraagd welke problemen hij heeft ondervonden naar aanleiding van zijn werk voor de stichting, maar zowel de dreigbrief als de moord op zijn collega [naam collega] zijn door eiser niet genoemd. [7] Ook volgt de minister niet dat de ELN ruim anderhalf jaar na eisers vertrek hem nog persoonlijk zou bedreigen via een brief die werd bezorgd bij de stichting terwijl eiser niet meer voor de stichting actief is.
Oordeel van de rechtbank
12. Vast staat dat eiser in zijn zienswijze van 19 december 2023 heeft verklaard over ‘een sociaal leider die is vermoord in Cali’. Vervolgens heeft eiser in de aanvullende zienswijze van 24 januari 2024 nader toegelicht dat het gaat om de moord op een collega van eiser, namelijk [naam collega]. Naar aanleiding van het aanvullend voornemen en de aanvullende zienswijze heeft de minister eiser uitgenodigd voor een aanvullend nader gehoor. De rechtbank stelt vervolgens vast dat aan eiser in het aanvullende gehoor geen vragen zijn gesteld over de moord op [naam collega] en evenmin over de band tussen eiser en deze (gestelde) collega.
12.1.
De minister stelt terecht dat het aan eiser is om zijn asielrelaas te onderbouwen met documenten en verklaringen. Ook is het op zichzelf juist dat het aan eiser is om naar voren te brengen waarom hij vanwege zijn rol als sociaal leider gevaar loopt in Colombia en om de moord op [naam collega] nader toe te lichten. Gelet op de samenwerkingsverplichting is het echter aan de minister om eiser gerichte vragen te stellen en hem zo de gelegenheid te bieden om zijn asielrelaas concreet toe te lichten en te onderbouwen. De toelichting in de aanvullende zienswijze bevatte genoeg aanknopingspunten voor de minister om gerichte vragen over de moord op [naam collega] en de relatie van eiser tot deze persoon te stellen. Dit is niet gebeurd. Daarbij heeft eiser in het aanvullend nader gehoor het volgende verklaard:
Wat zijn namen van mensen in het bestuur die u kent of van hebt gehoord?
‘[naam directeur] is de directeur. Ik noemde hem altijd zo, maar eigenlijk heet hij [naam directeur]’.
Hij is de directeur?
‘Ja, mevrouw. [persoon A] is ook iemand die betrokken is bij de stichting. Hij had fantastische ideeën voor de stad Cali. Deze wilde ik voor hem uitvoeren. Hij is in 2023 vermoord. Hij wilde niet vertrekken’ [8] .
12.2.
De rechtbank gaat ervan uit dat ‘[persoon A]’ een kennelijke verschrijving betreft en dat daarmee [naam collega] is bedoeld. Gelet op deze bovenstaande verklaring is de minister er ten onrechte van uitgegaan dat eiser in het aanvullend nader gehoor de moord op [naam collega] helemaal niet heeft genoemd. In de gegeven omstandigheden lag het op de weg van de hoormedewerker om op deze verklaring van eiser aan te haken en hem nadere vragen te stellen. De algemene vragen op pagina 6 van het aanvullend gehoor waren weliswaar een opening voor eiser om uit eigen beweging nader te kunnen verklaren, maar dit acht de rechtbank gelet op het bovenstaande niet doorslaggevend. Gelet hierop is de minister bij het aanvullend gehoor onvoldoende zorgvuldig te werk gegaan en heeft hij de samenwerkingsplicht geschonden. Het besluit bevat daardoor een zorgvuldigheidsgebrek en het beroep is daarom gegrond.
12.3.
De rechtbank acht het van belang om met het oog op de nieuw te nemen beslissing op de aanvraag van eiser in te gaan op een onduidelijkheid die is ontstaan over de dreigbrief en de vraag of het origineel van de dreigbrief al dan niet in het bezit is van de minister.
Op pagina 3 van het rapport van het aanvullend gehoor van 8 augustus 2024 staat over de dreigbrief het volgende vermeld:
Voelt u zich lichamelijk en geestelijk in staat om dit gehoor nu te laten plaatsvinden?
‘Fysiek gaat het goed met me. Ik ben hier uiteindelijk gekomen. Mentaal, door wat me is overkomen in verband met het nader gehoor, dacht ik dat ik misschien voor een derde keer werd opgeroepen om documenten in te leveren. Een document wat ongeveer zes maanden geleden bij mijn advocaat is beland. Dat document heeft betrekking op een doodsbedreiging. Om dat wat me in Colombia is overkomen’.
U mag dit document straks zeker inleveren. We komen daar later op terug.
‘Aanvankelijk heb ik een kopie overlegd. Ik werd gevraagd een origineel te overleggen, een geautoriseerd origineel. Dat heb ik geregeld. De IND is al in het bezit van dit document. Ik hoop niet dat ik het straks weer gelegaliseerd moet laten opsturen’.
Is dit hetzelfde document als waar u het net over had dat zes maanden geleden bij uw advocaat is gekomen?
‘Ja, daarom gaf ik deze verduidelijking. Ik dacht dat het om dit document zou gaan. Niet om het nader gehoor’.
Als het document al in handen van de IND is, hoeft u dat vandaag niet opnieuw in te dienen. Dan is dat al toegevoegd aan uw dossier.
‘De IND heeft het al in het archief’.
12.4.
Uit bovenstaand verloop maakt de rechtbank op dat wat betreft het aanleveren van de originele dreigbrief onduidelijkheid voor eiser bestond en tot op heden bestaat. Eiser had het origineel van de dreigbrief bij zich tijdens het aanvullend gehoor en kreeg toen te horen dat het stuk al in het bezit was van de minister. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat er geen origineel is aangeboden en dus ook niet is onderzocht door Bureau Documenten. De rechtbank acht niet onaannemelijk dat een kopie van de dreigbrief die zich in het digitaal dossier bevindt door de minister is opgevat als de enige beschikbare versie en dat eiser tijdens het aanvullend nader gehoor begreep dat het origineel al in het bezit was van de minister. In dat geval is sprake van een tussen partijen ontstaan misverstand. De rechtbank geeft de minister in overweging om eiser in de gelegenheid te stellen om de originele dreigbrief alsnog in te brengen zodat deze bij de nieuwe besluitvorming kan worden meegenomen en kan worden beoordeeld door Bureau Documenten.
12.5.
Omdat het beroep gegrond is komt het bestreden besluit dat is gericht aan eiser voor vernietiging in aanmerking. De aard van het geconstateerde gebrek leent zich niet voor toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Ook voor het in stand laten van de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten is geen aanleiding. De minister zal eiser vanwege het geconstateerde gebrek opnieuw moeten horen zal en vervolgens nieuwe besluiten op de aanvragen van eisers moeten nemen.
12.6.
Eiseres en eiser 2 hebben een afgeleid asielrelaas. Omdat de rechtbank oordeelt dat het besluit van eiser 1 voor vernietiging in aanmerking komt, vernietigt zij daarom ook de besluiten van eiseres en eiser 2.
12.7.
De overige beroepsgronden blijven vanwege het gegronde beroep onbesproken.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond, de bestreden besluiten worden vernietigd en de minister moet nieuwe besluiten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Nu de rechtbank ervan uitgaat dat eiser opnieuw zal moeten worden gehoord, waarna mogelijk opnieuw voornemens kenbaar moeten worden gemaakt, stelt de rechtbank de beslistermijn op 16 weken.
13.1.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eisers redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Gelet op artikel 3, eerste lid, van het Bpb worden samenhangende zaken beschouwd als één zaak. Dat de besluiten van eiseres en eiser 2 ook worden vernietigd, maakt daarom niet dat daar ook een proceskostenvergoeding voor wordt toegekend.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van eiser, eiseres en eiser 2;
- draagt de minister op om met inachtneming van deze uitspraak binnen 16 weken nieuwe besluiten te nemen;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Ejército de Liberación Nacional (ELN) is het Nationaal Bevrijdingsleger van Colombia.
3.Ten tijde van het voornemen en de zienswijze hanteerde de minister de term ‘relevante elementen’.
4.Pagina 18 en verder van het nader gehoor.
5.document “[naam collega] Cali – Valle del Cauca”, 7 december 2023.
6.Pagina 6 van het aanvullend nader gehoor en pagina 19 van het nader gehoor.
7.Pagina 6 van het aanvullend nader gehoor.
8.Rapport aanvullend gehoor 8 augustus 2024, p. 10.