ECLI:NL:RBDHA:2026:941
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep visumafwijzing
Verzoeker had beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen de afwijzing van een visumaanvraag voor kort verblijf. Op 3 oktober 2025 nam de minister alsnog een besluit op het bezwaar, waarna verzoeker zijn beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep en dat daarom proceskostenvergoeding toewijsbaar was. Gezien de lichte aard van de zaak en het inschakelen van een professionele hulpverlener werd een wegingsfactor van 0,5 toegepast op het standaardbedrag.
De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van € 467,- aan proceskosten en het griffierecht. Er was geen aanleiding tot het houden van een zitting. De uitspraak werd gedaan door rechter A. Skerka op 19 januari 2026.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van € 467,- aan proceskosten en het griffierecht.