Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9408

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL26.18589
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en verzoek om schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie legde op 2 april 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 9 april 2026 opgeheven vanwege een openstaande strafrechtelijke detentie.

De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig was en of schadevergoeding toekwam. Eiser betoogde onder meer dat de minister hem niet in bewaring had mogen stellen vanwege de openstaande strafdetentie en het ontbreken van toestemming van het Openbaar Ministerie. Dit verweer faalde omdat de minister op het moment van oplegging niet op de hoogte was van de strafrechtelijke detentie.

De rechtbank oordeelde dat de zware gronden voor bewaring, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen en het niet meewerken aan een overdracht op grond van de Dublinverordening, voldoende waren om de maatregel te dragen. De lichte gronden werden niet verder besproken. Ook het betoog dat een lichter middel had moeten worden toegepast, werd verworpen omdat het onttrekkingsrisico voldoende was onderbouwd en medische faciliteiten aanwezig waren.

Ten slotte stelde de rechtbank vast dat de minister voortvarend had gehandeld door direct na de inbewaringstelling de overdracht aan te kondigen en een vlucht te plannen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18589

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 9 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser nog een strafrechtelijke detentie moet uitzitten.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Eiser heeft in zijn beroepschrift, onder andere, aangevoerd dat de staandehouding en ophouding niet rechtmatig zijn. Deze grond heeft de gemachtigde van eiser tijdens de zitting laten vallen. Hierover zal de rechtbank daarom geen oordeel geven.
Heeft de minister eiser ondanks de openstaande strafdetentie in bewaring kunnen stellen?
4. Eiser betoogt dat de minister hem niet in bewaring had kunnen stellen omdat er nog een strafrechtelijke detentie openstond en de minister geen toestemming heeft gevraagd aan het Openbaar Ministerie voor de inbewaringstelling.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De maatregel van bewaring is op 2 april 2026 opgelegd. Uit de Justitiële Documentatie van die datum blijkt niet dat er op dat moment openstaande zaken waren. De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat het vonnis en de gevangenisstraf van 21 dagen pas op 7 april 2026 aan eiser bekend is gemaakt. De minister kon op het moment van het opleggen van de maatregel dus nog niet weten dat eiser nog een strafrechtelijke detentie had openstaan.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
De lichte grond 4e heeft de gemachtigde van de minister tijdens de zitting laten vallen.
5.1.
Eiser heeft alle zware en lichte gronden betwist. De zware gronden en de lichte grond 4a kunnen, volgens eiser, niet aan hem worden tegengeworpen omdat hieruit niet kan worden opgemaakt dat sprake is van een risico op onttrekking. De lichte gronden 4c en 4d hebben volgens eiser te maken met het feit dat hij asielzoeker is en hij zich daardoor niet in kan schrijven. Dat mag niet tegen hem werken.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de zware gronden 3a en 3k de maatregel voldoende dragen. Eiser heeft de feitelijke juistheid van deze gronden niet betwist en anders dan eiser stelt, kunnen deze gronden wel aan hem worden tegengeworpen. De feitelijke juistheid van deze zware gronden is namelijk voldoende om de gronden aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen. [1] Deze twee gronden zijn ook voldoende om de maatregel te kunnen dragen. Dat wat eiser heeft aangevoerd in het kader van de lichte gronden behoeft daarom geen bespreking.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiser betoogt dat de minister een lichter middel had kunnen opleggen. Eiser zat namelijk in een asielzoekerscentrum en er zijn medische indicaties.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe dat het onttrekkingsrisico volgt uit de gronden van bewaring en dat deze gronden gelet op wat onder 5.2 is geoordeeld, voldoende zijn. Daardoor heeft de minister terecht gesteld dat geen lichter middel kon worden toegepast. Dit heeft de minister in de maatregel van bewaring ook voldoende gemotiveerd. Daarbij is de minister ook ingegaan op eventuele medische omstandigheden en heeft erop gewezen dat in het detentiecentrum medische faciliteiten aanwezig zijn. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat deze faciliteiten voor hem ontoereikend zouden zijn.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
7. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft op 2 april 2026, de dag van de inbewaringstelling, de overdracht aangekondigd aan de Zwitserse autoriteiten. Op 3 april 2026 is voor eiser een vlucht aangevraagd en is met eiser een vertrekgesprek gevoerd. Daarnaast stond de vlucht gepland op 13 april 2026, maar deze is niet doorgegaan vanwege de strafrechtelijke detentie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister gelet op voorgaande voldoende voortvarend aan de overdracht van eiser gewerkt.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
2.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).