Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker,
als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,verweerder.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn opvolgende asielaanvraag door de Minister van Asiel en Migratie. De niet-ontvankelijkverklaring was gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000.
De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist en er een bezwaar- of beroepsprocedure loopt. Echter, de rechtbank heeft het beroep van verzoeker inmiddels ongegrond verklaard, waardoor er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer is.
Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep reeds is afgewezen.