ECLI:NL:RBDHA:2026:9374
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij afwijzing Bbz-uitkering wegens ontbreken financiële noodsituatie
Verzoeker heeft op 6 januari 2026 een uitkering en bedrijfskapitaal aangevraagd op grond van het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bbz). Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft dit verzoek op 2 februari 2026 afgewezen en het eerder toegekende voorschot van € 200,- teruggevorderd. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 25 maart 2026. Verzoeker stelde dat hij betalingsonmacht had voor het griffierecht, wat werd erkend. De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening alleen wordt toegekend bij een spoedeisend belang. Verzoeker had op 11 februari 2026 een bijstandsuitkering aangevraagd waarop het college op 5 maart 2026 een voorschot van € 989,06 had toegekend. Dit voorschot wordt ambtshalve om de vier weken verstrekt zolang er geen definitief besluit is.
Gezien dit voorschot oordeelde de voorzieningenrechter dat er geen financiële noodsituatie was en dus geen spoedeisend belang. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, waardoor het bestreden besluit blijft gelden tot het bezwaar is beslist. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de Bbz-aanvraag wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.