Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9366

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
26/957
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 ParticipatiewetArt. 8:81 AwbArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 21 VWEUArt. 72 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking AIO-aanvulling wegens ontbreken rechtmatig verblijf

Verzoekster, een Marokkaanse nationaliteit houdende vrouw, ontving een AIO-aanvulling op grond van de Participatiewet. Deze aanvulling werd ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 19 november 2024 omdat zij niet langer over een geldige verblijfstitel beschikte. Verzoekster maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van spoedeisend belang vanwege de financiële situatie van verzoekster, die geen ander inkomen heeft en afhankelijk is van de AIO-aanvulling. Echter, op grond van het koppelingsbeginsel is het recht op sociale voorzieningen gekoppeld aan het hebben van rechtmatig verblijf. Verzoekster beschikte slechts over procedureel verblijfsrecht, niet over materieel rechtmatig verblijf.

De voorzieningenrechter concludeerde dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat verzoekster niet in aanmerking komt voor de AIO-aanvulling. De gebreken in het besluit kunnen tijdens de bezwaarfase worden hersteld. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de AIO-aanvulling wordt afgewezen wegens ontbreken van rechtmatig verblijf in materiële zin.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/957

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en

de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder

(gemachtigde: W. van den Berg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de stopzetting van de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO)-aanvulling op grond van de Participatiewet (Pw) van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 19 januari 2026 heeft verweerder de AIO-aanvulling van verzoekster met terugwerkende kracht per 19 november 2024 ingetrokken en wordt de onterecht uitgekeerde AIO-aanvulling ter hoogte van € 12.141,01 teruggevorderd, omdat verzoekster niet langer beschikt over rechtmatig verblijf in Nederland.
2.1.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, vergezeld door [naam] , en bijgestaan door tolk F. El-Handouni en vertegenwoordigd door haar gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit
3. Verzoekster is geboren op [geboortedatum 1] 1952 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.
Sinds 16 november 2023 had zij een verblijfstitel met verblijfs- en procedurecode 30 (VT30), die is gebaseerd op het Unierecht. Zij woont in [woonplaats] samen met [naam] , geboren op [geboortedatum 2] 1970 met de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster ontvangt geen uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Op 18 april 2024 heeft verzoekster een aanvraag ingediend voor een AIO-aanvulling. Op 8 juli 2024 heeft verweerder de aanvraag toegekend en zij ontving om die reden AIO-aanvulling vanaf 18 april 2024, met toepassing van de kostendelersnorm.
3.1.
Op 30 augustus 2024 heeft het systeem van verweerder aangegeven dat de verblijfstitel van verzoekster is gewijzigd. VT30 is gewijzigd in code 98 (VT98), wat betekent dat verzoekster niet (meer) beschikt over een geldige verblijfstitel. De verblijfstitel die verzoekster heeft aangevraagd is afgewezen op 17 juli 2024. Op 2 september 2024 heeft verweerder aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gevraagd of bezwaar is ingediend tegen de wijziging van haar verblijfstitel. Dat was zo, en daarom was de status vanaf 17 juli 2024 weer VT30. Op 18 november 2025 is het bezwaar ongegrond verklaard en is haar status weer gewijzigd in VT98 met terugwerkende kracht vanaf 17 juli 2024.
3.2.
Op 9 december 2025 is de AIO-aanvulling tot en met 30 november 2025 uitgekeerd aan verzoekster. Verweerder heeft op 10 december 2025 de AIO-aanvulling vanaf december 2025 geblokkeerd, omdat uit informatie van de IND was gebleken dat verzoekster niet meer over een geldige verblijfstitel zou beschikken. Verweerder heeft verzoekster verzocht om een kopie van de beslissing van de IND op het door haar ingediende bezwaar waaruit blijkt op welke datum zij de beslissing heeft ontvangen. Hierop is geen reactie gekomen. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.
Standpunt verzoekster
4. Volgens verzoekster is zij een vreemdelinge in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Omdat er geen afhankelijkheidsrelatie kon worden aangetoond tussen haar en haar zoon is de aanvraag op 5 juli 2024 afgewezen. Het bezwaar van verzoekster tegen dit besluit is op 18 november 2025 ongegrond verklaard. Zij stelt hiertegen in beroep te zijn gegaan en te hebben verzocht om een voorlopige voorziening. Volgens verzoekster heeft zij rechtmatig verblijf op grond van artikel 21 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) in samenhang met artikel 72 Vw Pro 2000 en artikel 8 sub e Vw Pro 2000, mede vanwege het lopende beroep en de verzochte voorlopige voorziening. Om deze reden heeft zij recht op de AIO-aanvulling. Verzoekster beschikt niet over andere inkomsten. Zij kan geen beroep doen op de bijstand. Door het wegvallen van de AIO-aanvulling kan zij haar zorgverzekering niet betalen. Verzoekster heeft verder gesteld dat zij in een separaat bezwaar opkomt tegen de terugvordering. Verzoekster heeft verzocht om herstel van de uitkering van de AIO-aanvulling vanaf 18 november 2024 en vergoeding van haar proceskosten.
Oordeel van de voorzieningenrechter
Is er spoedeisend belang?
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, zoals bijvoorbeeld acute financiële nood, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat alleen al daarom geen voorlopige voorziening wordt getroffen.
5.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat aannemelijk is dat de financiële situatie zodanig is dat sprake is van spoedeisend belang. Verzoekster heeft haar stelling weliswaar niet nader onderbouwd met stukken, maar ter zitting heeft verzoekster gesteld dat zij geen inkomen meer heeft en dat [naam] enkel een inkomen op bijstandsniveau ontvangt ter hoogte van € 800,-, met toepassing van de kostendelersnorm. Het is moeilijk boodschappen doen en verzoekster gaat naar de kerk voor voedselpakketjes.
Wordt een voorziening getroffen?
6. Op grond van het koppelingsbeginsel geldt in de socialezekerheidswetgeving het uitgangspunt dat het recht op uitkeringen en voorzieningen van overheidswege gekoppeld is aan het hebben van (een vorm van) rechtmatig verblijf. [1]
6.1.
De kring van rechthebbenden op bijstand van overheidswege is beperkt tot iedere in Nederland woonachtige Nederlander of de in Nederland woonachtige vreemdeling met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vw 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG of op grond van algemene maatregel van bestuur gelijkgesteld. [2]
6.2.
Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat het bestreden besluit onjuistheden bevat. Dit komt omdat een verkeerde datum als uitgangspunt is genomen (18 november 2024 in plaats van 18 november 2025). Verweerder heeft verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 25 februari 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:454). Hieruit volgt dat procedureel verblijfsrecht onvoldoende is om aanspraak te maken op, in dit geval, de AIO-aanvulling. Verzoekster beschikt niet over materieel verblijfsrecht. Verzoekster heeft dit standpunt niet betwist.
6.3.
De voorzieningenrechter maakt hieruit op dat in het geval van verzoekster geen sprake is (geweest) van rechtmatig verblijf in materiele zin, maar enkel in procedurele zin, namelijk VT30. [3] Verzoekster kan voor toepassing van de Pw derhalve niet met een Nederlander worden gelijkgesteld.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoekster niet in aanmerking komt voor de AIO-aanvulling. De geconstateerde gebreken in het bestreden besluit kan verweerder repareren gedurende de bezwaarfase.
8. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.De zgn. koppelingswet, wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland. Zie Staatsblad 1998, 203.
2.Dit volgt uit artikel 11 van Pro de Participatiewet.
3.Zie ook de uitspraak van de CRvB van 25 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:454, r.o. 4.5.8.