Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9344

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
NL26.11891
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 42 VwArt. 6:12 AwbArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet tijdig beslissen asielaanvraag

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 16 juni 2025. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat eiser de minister op 31 januari 2026 heeft verzocht alsnog binnen twee weken te beslissen. Deze brief is op 25 februari 2026 ontvangen, waardoor de termijn van twee weken op 26 februari 2026 begon en op 12 maart 2026 eindigde.

Eiser heeft het beroepschrift echter al op 4 maart 2026 ingediend, voordat de termijn van twee weken was verstreken. Hierdoor is het beroep prematuur en voldoet het niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen.

De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter T.F. Bruinenberg en griffier A.S. van der Veen, en is zonder zitting behandeld.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard omdat het prematuur is ingediend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11893

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 16 juni 2025.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken. [2] Eiser heeft de minister met de brief van 31 januari 2026 gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. [3] Deze brief is gelet op de ontvangstbevestiging daarvan op 25 februari 2026 ontvangen door de minister. De termijn van twee weken vangt aan één dag na ontvangst van de brief waarin eiser de minister heeft gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. [4] In het geval van eiser begon deze termijn dus op 26 februari 2026 De rechtbank stelt vast dat de twee weken daarom zijn verstreken op 12 maart 2026. Eiser heeft het beroepschrift ingediend op 4 maart 2026. Het beroep is daarom te vroeg en dus prematuur ingediend en voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen. [5]

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. De minister hoeft de proceskosten niet aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, rechter, in aanwezigheid van
A.S. van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 42 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Awb.
4.Artikel 4:17, derde lid, van de Awb.
5.Zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.