ECLI:NL:RBDHA:2026:9340

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
11352076 \ RL EXPL 24-19025
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
EU-verordening 261/2004Art. 3 EU-verordening 261/2004Art. 5 lid 3 EU-verordening 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering passagiers wegens buitengewone omstandigheid vertraging vlucht TUI

De Passagiers hadden een vlucht geboekt bij TUI die met een vertraging van ruim vijf uur werd uitgevoerd. Zij vorderden compensatie op grond van EU-verordening 261/2004 wegens deze vertraging. TUI voerde verweer met onder meer het beroep op buitengewone omstandigheid en betwistte de geldigheid van cessie van vorderingen van minderjarige kinderen.

De rechtbank oordeelde dat de cessie van vorderingen van minderjarigen niet rechtsgeldig was omdat dezelfde vordering niet aan beide ouders afzonderlijk kan worden gecedeerd. Daarnaast werd het verweer van TUI dat de passagiers zich niet tijdig hadden gemeld verworpen, omdat de Verordening vereist dat passagiers zich melden bij de incheckbalie en niet bij de gate.

De rechtbank stelde vast dat het tekort aan beveiligingspersoneel op Schiphol, dat leidde tot lange wachtrijen en vertraging, een buitengewone omstandigheid vormde. TUI had geen invloed op deze situatie en had redelijke maatregelen getroffen door het boarden uit te stellen en de vluchtroute aan te passen om vertraging te beperken.

Daarom werden de vorderingen van de Passagiers afgewezen en werden zij veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd gewezen door mr. N.F.H. van Eijk en op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vorderingen van de passagiers worden afgewezen wegens buitengewone omstandigheid en redelijke maatregelen door TUI.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
NvE/c
Zaaknummer: 11352076 \ RL EXPL 24-19025
Vonnis van 21 april 2026
in de zaak van

1.[passagier 1] ,

2. [passagier 2],
beiden wonende te [woonplaats 1] ,
3. [passagier 3],
4. [passagier 4],
beiden wonende te [woonplaats 2] ,
5. [passagier 5],

6. [passagier 6] ,

beiden wonende te [woonplaats 3] ,

7. [passagier 7] ,

8. [passagier 8] ,

beiden wonende te [woonplaats 4] ,

9. [passagier 9] ,

10. [passagier 10] ,

beiden wonende te [woonplaats 5] ,

11. [passagier 11] ,

12. [passagier 12] ,

beiden wonende te [woonplaats 6] ,

13. [passagier 13] ,

wonende te [woonplaats 7] ,

14. [passagier 14] ,

15. [passagier 15] ,

beiden wonende te [woonplaats 8] ,

16. [passagier 16] ,

wonende te [woonplaats 9] ,

17. [passagier 17] ,

18. [passagier 18] ,

beiden wonende te [woonplaats 10] ,

19. [passagier 19] ,

wonende te [woonplaats 4] ,

20. [passagier 20] ,

21. [passagier 21] ,

beiden wonende te [woonplaats 11] ,

22. [passagier 22] ,

23. [passagier 23] ,

beiden wonende te [woonplaats 12] ,

24. [passagier 24] ,

25. [passagier 25] ,

beiden wonende te [woonplaats 13] ,
gemachtigde: mr. R. Bos,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: de Passagiers,
tegen
TUI AIRLINES NEDERLAND B.V. (TUI),
gevestigd te Rijswijk,
gedaagde partij,
hierna te noemen: TUI,
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 september 2024 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- de conclusie van repliek met producties,
- de conclusie van dupliek,
- de akte uitlating producties van de zijde van TUI.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De Passagiers hadden voor [datum] 2022 een boeking voor vlucht [vluchtnummer] van TUI van Amsterdam Schiphol naar [plaats 2] . Deze vlucht maakt onderdeel uit van de rotatievlucht Amsterdam – [plaats 2] – [plaats 3] – Amsterdam.
2.2.
Vlucht [vluchtnummer] is door TUI met een vertraging van 5 uur en 34 minuten uitgevoerd.
2.3.
Eisers sub 3 en 4 respectievelijk sub 24 en 25 vorderen ook namens hun minderjarige kinderen de compensatie.

3.Het geschil

3.1.
De Passagiers vorderen - samengevat - veroordeling van TUI tot betaling van € 18.345,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
De Passagiers leggen aan hun vordering ten grondslag dat Europese regelgeving en jurisprudentie, meer in het bijzonder de EU-verordening 261/2004 (hierna; de Verordening) en de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, hen recht geven op een vergoeding van € 600,- per persoon in verband met de opgelopen vertraging van hun vlucht van Amsterdam naar [plaats 2] . Het vertragen van een vlucht om economische redenen is geen buitengewone omstandigheid. Omdat betaling uitbleef hebben de Passagiers kosten moeten maken die worden begroot op € 945,-. Daarnaast is TUI de wettelijke rente verschuldigd.
3.3.
TUI voert verweer. TUI concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de Passagiers, dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de Passagiers in de kosten van deze procedure. Kort gezegd stelt TUI dat de gestelde cessie van de vordering van de minderjarige kinderen van eisers sub 3,4, 24 en 25 niet rechtsgeldig is en dat twee van de minderjarigen gratis hebben gereisd op grond waarvan aan hen geen compensatie geboden hoeft te worden. Daarnaast verweert TUI zich dat de Passagiers zich niet tijdig hebben gemeld conform artikel 3 van Pro de Verordening, zodat niet vaststaat dat de Verordening van toepassing is. Tot slot stelt TUI dat de vertraging het gevolg is van een buitengewone omstandigheid en dat ondanks het treffen van redelijke maatregelen de vertraging niet voorkomen had kunnen worden in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Vordering minderjarigen
4.1.
TUI heeft als verweer aangevoerd dat de aktes van cessie van de minderjarige kinderen van eisers sub 3, 4, 24 en 25 aan henzelf niet rechtsgeldig zijn, omdat de gestelde vordering niet aan twee verschillende personen kan worden gecedeerd. De kantonrechter volgt dit verweer. Als wettelijke vertegenwoordigers hebben de ouders weliswaar de bevoegdheid om een vordering van hun minderjarig kind te cederen, maar dat kan slechts aan één andere juridische entiteit, natuurlijk persoon of rechtspersoon. Dezelfde vordering kan niet aan beide ouders afzonderlijk worden gecedeerd en dat is hier wel gebeurd. Dat de ouders een gemeenschap vormen maakt dit niet anders. Een gemeenschap biedt immers alleen een groter verhaalsmogelijkheid en levert niet één gezamenlijk juridische entiteit op. Nog daargelaten dat TUI de gemeenschap heeft betwist en de ouders dit op geen enkele wijze hebben onderbouwd. Dit betekent dat de vorderingen die gegrond zijn op de vertraging die de minderjarigen hebben ondervonden zullen worden afgewezen.
Toepasselijkheid van de Verordening
4.2.
TUI heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat de Verordening niet van toepassing is omdat de Passagiers niet hebben gesteld dat zij zich conform artikel 3 (werkingssfeer) van de Verordening tijdig bij de gate hebben gemeld. Hoewel TUI op zich gelijk heeft dat de Passagiers niet hebben gesteld dat zij op tijd waren zal de kantonrechter dit verweer toch passeren. De betreffende voorwaarde waarop TUI een beroep doet is geen vereiste voor de toepasselijkheid van de Verordening. In de Verordening staat immers dat de passagier zich tijdig moet melden bij de incheckbalie en niet bij de gate, zoals TUI heeft gesteld. Het is verder algemeen bekend dat het inchecken tegenwoordig reeds digitaal thuis kan plaatsvinden en de meeste reizigers dat ook (zullen) doen. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat het hier anders is gegaan.
Buitengewone omstandigheid
4.3.
De Verordening en de daarop gebaseerde jurisprudentie beoogt de passagier als consument van door een luchtvaartmaatschappij aangeboden diensten bescherming te bieden tegen annulering van vluchten en de met annulering gelijkgestelde vertragingen, die een bepaalde tijdsduur overschrijden. Deze bescherming vertaalt zich in bepaalde gefixeerde schadevergoedingen en andere verplichtingen, zoals verzorging en, indien aan de orde, overnachtingen. Als uitgangspunt is de luchtvaartmaatschappij gehouden een bepaalde aan de vluchtafstand gerelateerde vergoeding aan de passagier te betalen in geval van een annulering van een vlucht of een vertraging van meer dan drie uur. Deze verplichting lijdt uitzondering, indien de luchtvaartmaatschappij zich met succes op een bijzondere omstandigheid kan beroepen, die als oorzaak voor de vertraging heeft te gelden.
4.4.
Niet in geschil is dat de Passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. Dit betekent dat TUI de Passagiers in beginsel moet compenseren. Dit is anders als TUI kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van een buitengewone omstandigheid.
4.5.
Anders dan de Passagiers hebben gesteld is de kantonrechter van oordeel dat TUI voldoende heeft aangetoond dat de vertraging van het betreffende vliegtuig was gelegen in de lange wachtrijen op de luchthaven Schiphol in de zomer van 2022, die het gevolg waren van een ernstig tekort aan beveiligingspersoneel. Dit blijkt uit de overgelegde verklaring van 17 september 2022 van de Station Operation Coördinator en de nieuwsberichten die over de lange wachtrijen zijn uitgebracht. Het gevolg was dat er lange wachtrijen voor de veiligheidscontrole ontstonden, wachtrijen die zich zelfs tot ver buiten het luchthavengebouw van Schiphol uitstrekten. TUI heeft vervolgens besloten het boarden uit te stellen en te wachten op de passagiers. Drie uur na het geplande vertrek van de vlucht, had de helft van de Passagiers zich nog niet gemeld. Om de Passagiers als nog in de gelegenheid te stellen hun vlucht te halen is de route van de vlucht gewijzigd. Omdat de luchthaven van [plaats 3] niet 24 uur per dag open is, is besloten daar eerst heen te vliegen en dan pas naar [plaats 2] . Uiteindelijk moest de vlucht wel vertrekken omdat als TUI nog langer zou wachten, de bemanning uit de uren zou lopen. TUI heeft uiteindelijk niet op alle passagiers gewacht, maar is met een vertraging van 4 uur en 54 minuten vertrokken. Deze vertraging heeft het vliegtuig niet meer kunnen inlopen. Weliswaar had Schiphol voor de maanden juni, juli en augustus 2022 nog gevraagd om vluchten te annuleren, maar voor de maand september 2022 waren geen beperkingen opgelegd. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het ontbreken van voldoende beveiligingspersoneel op de luchthaven Schiphol ten tijde van de betreffende vlucht [vluchtnummer] op [datum] 2022 als een buitengewone omstandigheid is aan te merken, waarop TUI zich kan beroepen. Het tekort aan beveiligingspersoneel was een uitzonderlijk gevolg van een uitzonderlijke situatie (de corona-epidemie) en staat in een zodanig ver verwijderd verband van de normale situatie, dat een luchthaven wel over voldoende beveiligingspersoneel beschikt, dat een en ander niet meer als inherent aan de uitoefening van het luchtvaartbedrijf is aan te merken. Vast staat dat TUI geen invloed kon uitoefenen op de wachtrijen op Schiphol en dat zij heeft geprobeerd de vlucht zo snel mogelijk uit te voeren.
4.6.
De stelling van de Passagiers dat het vliegtuig in de dagen voorafgaand aan de vlucht van [datum] 2022 continu te laat was kan buiten beschouwing blijven, omdat niet gesteld of onderbouwd is dat het vliegtuig op [datum] 2022 vertraagd was door een te laat binnenkomende vlucht. Bovendien heeft TUI dit betwist en gesteld dat het vliegtuig tijdig gereed stond.
Redelijke maatregelen getroffen
4.7.
Omdat sprake is van een buitengewone omstandigheid heeft de kantonrechter vervolgens te beoordelen of TUI redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging voor de passagiers te beperken. De kantonrechter volgt de Passagiers niet in hun betoog dat de keuze van TUI om te wachten op de Passagiers een beslissing van de luchtvaartmaatschappij is en zij daarom invloed kon uitoefenen op de vertraging. Met TUI is de kantonrechter van oordeel dat in de gegeven omstandigheden op Schiphol het tijdig vertrekken vanuit Amsterdam boven het belang van de passagiers om vervoerd te kunnen worden, indruist tegen de doelstellingen van de Verordening, namelijk het bieden van een hoog niveau van consumentenbescherming. Daarbij komt dat de Passagiers niet gesteld hebben dat zij wel op tijd (de oorspronkelijke boarding tijd) bij de gate waren. Indien TUI tijdig was vertrokken hadden de Passagiers hun vlucht gemist en daarmee hun vakantie in het water zien vallen. Dat heeft TUI weten te voorkomen door zo lang mogelijk te wachten. Hierbij moest zij een keuze maken tussen vertrekken met een nagenoeg leeg vliegtuig en met achterlating van een zeker aantal passagiers (die dan later alsnog vervoerd zouden moeten worden), waarbij de bagage van deze passagiers niettemin uit het ruim verwijderd moest worden (hetgeen ook tijd in beslag neemt), terwijl TUI ook rekening diende te houden met de passagiers van de terugvlucht van de betreffende rotatievlucht. In dit geval heeft TUI een afgewogen keuze gemaakt door op missende passagiers te wachten en vervolgens de rotatievlucht zodanig uit te voeren dat ook voor de passagiers met bestemming [plaats 3] en [plaats 2] , alsmede voor de passagiers op de retourvlucht naar [woonplaats 2] de vertraging beperkt bleef tot slechts iets meer dan 5 uur.
4.8.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen en de nevenvorderingen van de Passagiers zullen worden afgewezen.
4.9.
De Passagiers zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van TUI worden begroot op:
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.008,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van de Passagiers af,
5.2.
veroordeelt de Passagiers in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de Passagiers niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.F.H. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.