Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9337

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
11351907 \ RL EXPL 24-19016
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
EU-verordening 261/2004Art. 3 Verordening 261/2004Art. 5 lid 3 Verordening 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering passagiers wegens vertraagde vlucht Amsterdam-Bonaire

De Passagiers hadden een pakketreisovereenkomst met TUI Nederland voor vlucht OR 379 van Amsterdam naar Bonaire op 13 september 2022, die met bijna vijf uur vertraging werd uitgevoerd. Zij vorderden een vergoeding van € 600 per persoon op grond van EU-verordening 261/2004 wegens deze vertraging.

TUI voerde verweer dat de Passagiers zich niet tijdig hadden gemeld en dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk personeelstekort bij de beveiliging op Schiphol. De rechtbank oordeelde dat de meldingstermijn bij de gate geen vereiste is voor toepasselijkheid van de Verordening en dat digitaal inchecken gebruikelijk is.

De rechtbank stelde vast dat TUI onvoldoende had bewezen dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden. De doorwerking van eerdere vertragingen op de rotatievlucht werd niet gevolgd vanwege de langeafstandsvlucht over meerdere dagen. Wel vond de rechtbank dat TUI in het belang van de Passagiers lang heeft gewacht met vertrek, waardoor zij niet in aanmerking komen voor vergoeding.

De vorderingen werden afgewezen en de Passagiers werden veroordeeld in de proceskosten van € 864,00. Het vonnis werd gewezen door mr. N.F.H. van Eijk op 21 april 2026.

Uitkomst: De vorderingen van de Passagiers wegens vluchtvertraging worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van buitengewone omstandigheden en niet tijdige melding.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
NvE/c
Zaaknummer: 11351907 \ RL EXPL 24-19016
Vonnis van 21 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

2. [eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats 1] ,
3. [eiser 3],
4. [eiser 4],
beiden wonende te [woonplaats 2] ,
5. [eiser 5],

6. [eiser 6]

beiden wonende te [woonplaats 3] ,

7. [eiser 7] ,

8. [eiser 8] ,

beiden wonende te [woonplaats 4] ,

9. [eiser 9] ,

wonende te [woonplaats 5] (Verenigd Koninkrijk),

10. [eiser 10] ,

wonende te [woonplaats 6] ,
gemachtigde: mr. R. Bos,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: de Passagiers,
tegen
TUI AIRLINES NEDERLAND B.V. (TUI),
gevestigd te Rijswijk,
gedaagde partij,
hierna te noemen: TUI,
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 september 2024 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- de conclusie van repliek met producties,
- de conclusie van dupliek,
- de akte uitlating producties van de zijde van TUI.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De Passagiers hadden een (pakketreis)overeenkomst gesloten met reisorganisator Tui Nederland N.V., waarin een boeking zat voor TUI-vlucht OR 379 van Amsterdam Schiphol naar Bonaire Flamingo International Airport op 13 september 2022. Deze vlucht maakt onderdeel uit van de rotatievlucht Amsterdam – Curaçao – Bonaire – Amsterdam.
2.2.
Vlucht OR 379 is door TUI met een vertraging van 4 uur en 48 minuten uitgevoerd.

3.Het geschil

3.1.
De Passagiers vorderen - samengevat - veroordeling van TUI tot betaling van € 6.675,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
De Passagiers leggen aan hun vordering ten grondslag dat Europese regelgeving en jurisprudentie, meer in het bijzonder de EU-verordening 261/2004 (hierna; de Verordening) en de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, hen recht geven op een vergoeding van € 600,- per persoon in verband met de opgelopen vertraging van hun vlucht van Amsterdam naar Bonaire. Het vertragen van een vlucht om economische redenen is geen buitengewone omstandigheid. Omdat betaling uitbleef hebben de Passagiers kosten moeten maken die worden begroot op € 675,-. Daarnaast is TUI de wettelijke rente verschuldigd.
3.3.
TUI voert verweer. TUI concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de Passagiers, dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de Passagiers in de kosten van deze procedure. Kort gezegd stelt TUI dat de Passagiers zich niet tijdig hebben gemeld conform artikel 3 van Pro de Verordening, zodat niet vaststaat dat de Verordening van toepassing is. Daarnaast stelt TUI dat de vertraging het gevolg is van een buitengewone omstandigheid en dat ondanks het treffen van redelijke maatregelen de vertraging niet voorkomen had kunnen worden in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Toepasselijkheid van de Verordening
4.1.
TUI heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat de Verordening niet van toepassing is omdat de Passagiers niet hebben gesteld dat zij zich conform artikel 3 (werkingssfeer) van de Verordening tijdig bij de gate hebben gemeld. Hoewel TUI op zich gelijk heeft dat de Passagiers niet hebben gesteld dat zij op tijd waren zal de kantonrechter dit verweer toch passeren. De betreffende voorwaarde waarop TUI een beroep doet is geen vereiste voor de toepasselijkheid van de Verordening. In de Verordening staat immers dat de passagier zich tijdig moet melden bij de incheckbalie en niet bij de gate, zoals TUI heeft gesteld. Het is verder algemeen bekend dat het inchecken tegenwoordig reeds digitaal thuis kan plaatsvinden en de meeste reizigers dat ook (zullen) doen. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat het hier anders is gegaan.
Geen buitengewone omstandigheid aangetoond
4.2.
De Verordening en de daarop gebaseerde jurisprudentie beoogt de passagier als consument van door een luchtvaartmaatschappij aangeboden diensten bescherming te bieden tegen annulering van vluchten en de met annulering gelijkgestelde vertragingen, die een bepaalde tijdsduur overschrijden. Deze bescherming vertaalt zich in bepaalde gefixeerde schadevergoedingen en andere verplichtingen, zoals verzorging en, indien aan de orde, overnachtingen. Als uitgangspunt is de luchtvaartmaatschappij gehouden een bepaalde aan de vluchtafstand gerelateerde vergoeding aan de passagier te betalen in geval van een annulering van een vlucht of een vertraging van meer dan drie uur. Deze verplichting lijdt uitzondering, indien de luchtvaartmaatschappij zich met succes op een bijzondere omstandigheid kan beroepen, die als oorzaak voor de vertraging heeft te gelden.
4.3.
Niet in geschil is dat de Passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. Dit betekent dat TUI de Passagiers in beginsel moet compenseren. Dit is anders als TUI kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van een buitengewone omstandigheid.
4.4.
TUI heeft veel nadruk gelegd op de eerdere vertraging van de rotatievlucht van 12 september 2022 (OR 377) en dat die mogelijk doorwerkt op de onderhavige vlucht OR 379. Voor de vertraging op 13 september 2022 stelt zij dat als er een (vervangend) toestel tijdig klaar gestaan zou hebben, die evenmin tijdig vertrokken was, vanwege dezelfde problemen rondom het beveiligingspersoneel op die dag. De Passagiers hebben dit bestreden.
Ter onderbouwing verwijst TUI naar eerdere uitspraken van deze rechtbank en naar een NOS Nieuws bericht dat het nog steeds druk is op Schiphol met buiten lange rijen.
4.5.
Voor zover TUI heeft betoogd dat de vertraging van vlucht OR 377 doorwerkt naar de onderhavige vlucht wordt dat betoog niet gevolgd. De jurisprudentie van het Europese Hof beperkt de doorwerking van vertragingen slechts ten aanzien van rotatievluchten, die met een bepaald vliegtuig worden gemaakt op een en dezelfde dag, in de regel voor korte - of middellange vluchten. In dergelijke gevallen heeft de luchtvaartmaatschappij maar beperkte mogelijkheden om vertragingen op te vangen. In dit geval gaat het om een langeafstandsvlucht, die zich uitstrekt over twee opeenvolgende dagen. In dergelijke gevallen kan de luchtvaartmaatschappij reeds bij vertrek van de voorafgaande vlucht een inschatting maken of en in hoeverre het betreffende vliegtuig vertraging zal hebben bij terugkomst en heeft de luchtvaartmaatschappij de mogelijkheid daarop maatregelen te treffen, bijvoorbeeld door een vervangend vliegtuig aan te wijzen of vast te leggen.
4.6.
Daarnaast heeft TUI onvoldoende aangetoond dat de vertraging van het betreffende vliegtuig was gelegen in de lange wachtrijen op de luchthaven Schiphol in de zomer van 2022, die het gevolg waren van een ernstig tekort aan beveiligingspersoneel. Het enkele NOS Nieuws bericht over de lange wachtrijen is daarvoor niet voldoende. Uit dat bericht volgt immers niet dat op 13 september 2022 de rijen zijn ontstaan door het personeelstekort bij de beveiliging. Dat in een eerdere uitspraak door de rechter is geoordeeld dat sprake was van buitengewone omstandigheden met betrekking tot de onderhavige vlucht leidt niet als vanzelfsprekend dat hier ook sprake is van buitengewone omstandigheden. Elke zaak zal op haar eigen stellingen en weren moeten worden beoordeeld. Dit betekent voor nu dat onvoldoende is gebleken van een buitengewone omstandigheid waarop TUI zich kan beroepen.
4.7.
Hoewel TUI geen beroep toekomt op een buitengewone omstandigheid volgt de kantonrechter wel het verweer dat zij in het belang van de Passagiers heeft gewacht om te vertrekken en zij daarom niet in aanmerking komen voor een vergoeding. De Passagiers hebben niet gesteld dat zij wel op tijd (de oorspronkelijke boarding tijd) bij de gate waren. Ook niet nu TUI in haar conclusie van antwoord uitdrukkelijk heeft betwist dat de Passagiers op tijd waren. Indien TUI tijdig was vertrokken hadden de Passagiers hun vlucht gemist en daarmee hun vakantie in het water zien vallen. Dat heeft TUI weten te voorkomen door zo lang mogelijk te wachten. De kantonrechter acht het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de Passagiers in die situatie een beroep doen op de schadevergoeding uit de Verordening.
4.8.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen en de nevenvorderingen van de Passagiers zullen worden afgewezen.
4.9.
De Passagiers zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van TUI worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
864,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van de Passagiers af,
5.2.
veroordeelt de Passagiers in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de Passagiers niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.F.H. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.