Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9321

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
NL24.21152
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.6ba Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning wegens ontbreken mvv

Verzoekster, een Turkse vrouw met dementie, heeft een aanvraag ingediend om bij haar dochter in Nederland te verblijven. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet voldoen aan uitzonderingsgronden zoals medische vrijstelling of het Associatierecht.

Verzoekster stelde dat zij vanwege haar gezondheid en leeftijd niet kan terugkeren naar Turkije en dat haar bezwaar kans van slagen heeft, onder meer omdat zij ten laste komt van haar dochter en een beroep doet op de hardheidsclausule en het ouderenbeleid. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster weliswaar een spoedeisend belang heeft, maar dat haar bezwaar naar voorlopig oordeel geen redelijke kans van slagen heeft.

De medische gronden voor vrijstelling van het mvv-vereiste werden niet aannemelijk geacht, mede omdat het BMA-advies aangaf dat verzoekster met fysieke overdracht kan reizen en de benodigde zorg in Istanbul beschikbaar is. Ook ontbrak bewijs van de familieband en het beroep op artikel 8 EVRM Pro en het Associatierecht faalde. Het beroep op het ouderenbeleid en de hardheidsclausule werd eveneens verworpen.

Het verzoek om een uitzettingsverbod en schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J. Smeets en griffier J.F. Elzenaar, en is niet vatbaar voor hoger beroep.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.21152

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , V-nummer: [v-nummer] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M. Erik),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: J. Laros).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 24 april 2024 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Verzoekster en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1942 en heeft de Turkse nationaliteit. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor verblijf bij haar gestelde dochter [referente] (referente). Verzoekster wil bij referente verblijven, omdat zij dementie heeft en referente haar verzorgt.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoekster geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft. Verzoekster kan niet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste op medische gronden. Verzoekster kan ook niet worden vrijgesteld op grond van het Associatierecht, omdat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij de ouder is van referente en ten laste van haar komt. Verder is uitzetting van verzoekster niet in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM [1] omdat niet is gebleken dat verzoekster beschermenswaardig familie- en/of privéleven heeft in Nederland. Verweerder geeft geen toepassing aan de hardheidsclausule, omdat verzoekster de gestelde bijzondere omstandigheden niet met bewijsstukken heeft onderbouwd. Daarnaast komt verzoekster niet in aanmerking voor een uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Ten slotte bestaat er geen aanleiding om vanwege bijzondere omstandigheden ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen als bedoeld in artikel 3.6ba, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verweerder heeft aan verzoekster een terugkeerbesluit opgelegd.
Wat vindt verzoekster?
3. Verzoekster voert aan dat zij een spoedeisend belang heeft, omdat zij in verband met haar gezondheid en leeftijd niet terug kan keren naar Turkije. Zij kan niet voor zichzelf zorgen en in Turkije heeft zij ook niemand die voor haar kan zorgen. Verder wijst verzoekster erop dat haar bezwaar kans van slagen heeft, omdat zij vrijgesteld moet worden van het mvv-vereiste als Turkse onderdaan. Zij komt namelijk ten laste voor referente. Ook doet verzoekster een beroep op de hardheidsclausule en het ouderenbeleid. Er heeft geen gedegen belangenafweging plaatsgevonden. Het besluit is onevenredig. Verzoekster verzoekt een uitzettingsverbod te geven hangende de bezwaarprocedure en verweerder te veroordelen in de schade als blijkt dat het bestreden besluit onrechtmatig is.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hieronder motiveert de voorzieningenrechter hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Verzoek om uitzettingsverbod hangende de bezwaarprocedure
Spoedeisendheid
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. In het primaire besluit is uiteengezet dat verzoekster geen verblijfsrecht heeft en dat dit betekent dat zij niet in Nederland mag zijn. Dit rechtsgevolg wordt niet opgeschort als verzoekster bezwaar maakt tegen het besluit. Verzoekster heeft daarom de voorzieningenrechter gevraagd om een uitzettingsverbod hangende de bezwaarprocedure op te leggen, zodat zij de uitkomst van deze procedure in Nederland mag afwachten. Het is namelijk onzeker of en wanneer verweerder concrete uitzettingshandelingen gaat verrichten. De omstandigheid dat er op dit moment geen concrete uitzettingshandelingen zijn verricht, leidt niet tot een rechtmatig verblijf. Ook doet dit er niet aan af dat verweerder op elk moment toch over kan gaan tot uitzetting. Verweerder heeft tijdens de zitting weliswaar toegelicht dat op korte termijn op het bezwaar zal worden beslist en dat verweerder tot op heden geen uitzettingshandelingen heeft verricht, maar niet uitdrukkelijk toegezegd dat er geen uitzettingshandelingen verricht zullen worden en zich nog wel verzet tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening.
Redelijke kans van slagen
6. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen.
6.1.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan het betoog van verzoekster dat zij moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste op medische gronden niet slagen. Zoals verweerder tijdens de zitting namelijk heeft toegelicht, volgt uit het advies van BMA-advies dat verzoekster kan reizen als er sprake is van een fysieke overdracht en dat de benodigde zorg in Istanbul beschikbaar is. Hierbij is van belang dat het BMA-advies is gebaseerd op de beschikbare medische informatie en verzoekster ook geen nadere medische stukken heeft toegezonden. Ook kan het betoog van verzoekster dat zij moet worden vrijgesteld op grond van het Turkse associatierecht en artikel 8 van Pro het EVRM, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet slagen, alleen al omdat de familieband tussen verzoekster en referente, ondanks toezegging daartoe, niet met stukken is aangetoond. De voorzieningenrechter heeft ter zitting ook niet heeft kunnen vragen of deze stukken inmiddels beschikbaar of te verwachten zijn. De voorzieningenrechter begrijpt de door verzoekster overgelegde verklaring van het dorpshoofd zo dat die verklaring bedoeld is om te onderbouwen dat verzoekster voor zorg afhankelijk is van referente. Deze verklaring leidt niet tot een andere conclusie, nu de familieband niet is onderbouwd. Verder is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat de grond van verzoekster dat zij in aanmerking komt voor uitstel van vertrek, niet slaagt. De voorzieningenrechter is het eens met verweerders standpunt tijdens de zitting dat uit het BMA-advies volgt dat verzoekster naar Turkije kan reizen als de fysieke overdracht wordt geregeld. Daarnaast kan het betoog van verzoekster dat het besluit onevenredig hard is volgens de voorzieningenrechter niet slagen. Verzoekster heeft namelijk niet nader toegelicht waarom de voor haar eventueel nadelige gevolgen onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Verzoekster heeft weliswaar aangevoerd dat er sprake is van een schrijdende situatie maar heeft niet onderbouwd waarom dit maakt dat het vasthouden aan het mvv-vereiste onevenredig is. De voorzieningenrechter heeft hier ook tijdens de zitting geen beter beeld van kunnen verkrijgen omdat verzoekster en haar gemachtigde afwezig waren. Ook het beroep van verzoekster op het ouderenbeleid kan niet slagen, omdat dit niet meer van toepassing is. Verder is de voorzieningenrechter het eens met verweerders stelling tijdens de zitting dat het beroep van verzoekster op het arrest Chakroun [2] niet kan slagen, omdat het middelenvereiste niet is tegengeworpen. Gelet op al het voorgaande is het de voorzieningenrechter niet gebleken dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Verzoek om schadevergoeding
7. De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om het verzoek om verweerder te veroordelen in schadevergoeding toe te wijzen.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
2.Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:117.