ECLI:NL:RBDHA:2026:9321
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning wegens ontbreken mvv
Verzoekster, een Turkse vrouw met dementie, heeft een aanvraag ingediend om bij haar dochter in Nederland te verblijven. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet voldoen aan uitzonderingsgronden zoals medische vrijstelling of het Associatierecht.
Verzoekster stelde dat zij vanwege haar gezondheid en leeftijd niet kan terugkeren naar Turkije en dat haar bezwaar kans van slagen heeft, onder meer omdat zij ten laste komt van haar dochter en een beroep doet op de hardheidsclausule en het ouderenbeleid. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster weliswaar een spoedeisend belang heeft, maar dat haar bezwaar naar voorlopig oordeel geen redelijke kans van slagen heeft.
De medische gronden voor vrijstelling van het mvv-vereiste werden niet aannemelijk geacht, mede omdat het BMA-advies aangaf dat verzoekster met fysieke overdracht kan reizen en de benodigde zorg in Istanbul beschikbaar is. Ook ontbrak bewijs van de familieband en het beroep op artikel 8 EVRM Pro en het Associatierecht faalde. Het beroep op het ouderenbeleid en de hardheidsclausule werd eveneens verworpen.
Het verzoek om een uitzettingsverbod en schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J. Smeets en griffier J.F. Elzenaar, en is niet vatbaar voor hoger beroep.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.