ECLI:NL:RBDHA:2026:9289
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens onjuiste identiteit en nationaliteit
Eiser heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen op basis van verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. De minister heeft deze vergunning ingetrokken omdat eiser willens en wetens onjuiste gegevens heeft verstrekt, waaronder het gebruik van een Rwandees paspoort terwijl hij verklaarde Congolees te zijn.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft aangenomen dat eiser de persoon is die op 8 maart 2022 bij de Nederlands-Belgische grens is staande gehouden met het Rwandese paspoort. Dit is onderbouwd met gezichtsvergelijkend onderzoek, authenticiteit van het paspoort, telefoongegevens en afgeluisterde gesprekken.
De rechtbank stelt vast dat de minister de intrekking met terugwerkende kracht tot 17 juni 2022 mocht uitvoeren en dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Ook is een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de minister onjuist heeft gehandeld.
De rechtbank wijst erop dat het feit dat de IND al voor de vergunningverlening over de informatie beschikte, maar deze niet heeft betrokken, niet leidt tot vernietiging van het besluit. De minister mocht zich op het standpunt stellen dat de vergunning niet zou zijn verleend als de juiste gegevens bekend waren geweest.
De uitspraak is gedaan door rechter N.M. van Waterschoot en de griffier A. Hoekstra - Verbeek, en is openbaar gemaakt op 16 april 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en de intrekking blijft in stand.