ECLI:NL:RBDHA:2026:9281
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijkheid asielaanvraag
De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van verzoeker, van Somalische nationaliteit. Verzoeker is het niet eens met deze niet-ontvankelijkverklaring en heeft daarom een voorlopige voorziening gevraagd en tevens beroep ingesteld.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 april 2026 behandeld, waarbij verzoeker en zijn gemachtigde aanwezig waren. Ondanks het ontbreken van een tolk is het verzoek behandeld op verzoek van verzoeker en zijn gemachtigde.
Op dezelfde dag heeft de rechtbank uitspraak gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.35951), waardoor de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.
Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de minister op grond van artikel 6:22 Awb Pro in de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt voor het indienen van het verzoekschrift, vastgesteld op € 934,-.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter L.J. van der Veen en griffier K.E. Mulder en is openbaar gemaakt op 16 april 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.