AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting Iraakse verzoeker
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 16 april 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende een Iraakse verzoeker die bezwaar maakte tegen de afwijzing van zijn aanvraag op grond van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000.
De minister van Asiel en Migratie had op 30 september 2025 het primaire besluit genomen om de aanvraag van verzoeker af te wijzen. Verzoeker maakte hiertegen bezwaar en verzocht vervolgens op 27 oktober 2025 om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar was beslist.
De minister stelde zich bij brief van 18 februari 2026 niet te verzetten tegen de toewijzing van deze voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zag geen beletselen en besloot het verzoek toe te wijzen, waardoor de minister werd verboden om verzoeker uit te zetten of voorbereidingen daartoe te treffen.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €194,- en proceskosten van €907,- aan verzoeker. Deze uitspraak vervangt een eerdere uitspraak van 3 april 2026 zonder wijziging van de uitspraakdatum.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting wordt opgeschort totdat op bezwaar is beslist.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52451
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam verzoeker]
[geboortedatum verzoeker]
van Iraakse nationaliteit,
[V-nummer verzoeker]
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
In het (primaire) besluit van 30 september 2025 heeft de minister verzoekers aanvraag om toepassing van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.
1.2
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3
Bij verzoekschrift van 27 oktober 2025 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.
1.4
Bij brief van 18 februari 2026 heeft de minister de voorzieningenrechter bericht zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorziening.
Beoordeling door de rechtbank
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Nu de minister zich niet verzet tegen de toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletstelen ziet om dit verzoek toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen in die zin dat de minister verzoeker niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een
wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
gebiedt de minister om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoeker en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat op het bezwaar is beslist;
bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van € 907,-.
Deze hersteluitspraak vervangt de inhoud van de uitspraak van 3 april 2026, zonder wijziging van de uitspraakdatum.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.S.G. van der Werf, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open