ECLI:NL:RBDHA:2026:9275

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
C/09/679142 / HA ZA 25-101
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N. Hengeveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:401 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot schadevergoeding wegens verborgen bemiddelingsvergoeding bij zzp-inhuur

De Stichting Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten (AHK) vordert schadevergoeding van gedaagde wegens het overeenkomen van een bemiddelingsvergoeding van €10 per uur met zzp’ers, die leidde tot een hoger uurtarief dan aan AHK werd doorberekend.

De rechtbank heeft op basis van getuigenverklaringen en e-mailcorrespondentie vastgesteld dat de bemiddelingsvergoeding daadwerkelijk bovenop het uurtarief van de zzp’ers kwam, waardoor AHK meer betaalde dan gerechtvaardigd was. Gedaagde voerde verweer dat AHK mede schuld had vanwege het ontbreken van navraag, maar dit werd verworpen omdat gedaagde als leidinggevende een zorgplicht had en de vergoeding verborgen hield.

De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van de door AHK geleden schade van €26.849,90, onderzoekskosten, buitengerechtelijke kosten en proceskosten, met wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders gevorderde af.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en kosten wegens verborgen bemiddelingsvergoeding bij zzp-inhuur.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/679142 / HA ZA 25-101
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
STICHTING AMSTERDAMSE HOGESCHOOL VOOR DE KUNSTEN
te Amsterdam,
eiseres,
hierna te noemen: AHK,
advocaten: mr. M.H.D. Vergouwen en mr. D.P. op den Velde,
tegen
[gedaagde]
te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. F.E. Boonstra.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- het tussenvonnis van 6 augustus 2025 en de daarin genoemde stukken (hierna: het
tussenvonnis),
- de akte van AHK met producties 21 en 22,
- de akte van [gedaagde] ,
- het proces-verbaal van de getuigenverhoren van 3 december 2025,
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 12 februari 2026,
- de conclusie na enquête van [gedaagde] met producties 9 tot en met 12 (genummerd
als 8 tot en met 11),
- de conclusie na enquête van AHK met producties 23 tot en met 27 (genummerd als
19 tot en met 23),
- de akte van AHK,
- de akte van [gedaagde] .

2.De verdere beoordeling

De bewijsopdracht aan AHK
2.1.
AHK is in het tussenvonnis opgedragen te bewijzen dat het uurtarief zoals tussen AHK en de zzp’ers overeengekomen € 10 per uur hoger is uitgekomen dan het geval zou zijn geweest indien [gedaagde] geen bemiddelingsvergoeding overeen zou zijn gekomen met de betreffende zzp’ers.
De gehoorde getuigen
2.2.
AHK heeft in het kader van de genoemde bewijsopdracht op 3 december 2025 verschillende getuigen laten horen: mevrouw [naam 1] , een van de betreffende zzp’ers (hierna: [naam 1] ), de heer [naam 2] , tevens een van de betreffende zzp’ers (hierna: [naam 2] ) en de heer [naam 3] , hoofd informatising en automatisering bij AHK (hierna: [naam 3] ). [gedaagde] heeft de heer [naam 4] , directeur servicebureau bij AHK (hierna: [naam 4] ) op 12 februari 2026 laten horen in contra-enquête.
AHK is geslaagd in haar bewijsopdracht
2.3.
De rechtbank komt op basis van de bewijslevering van AHK tot het oordeel dat AHK voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het uurtarief zoals tussen AHK en de zzp’ers overeengekomen € 10 per uur hoger is uitgekomen dan het geval zou zijn geweest indien [gedaagde] geen bemiddelingsvergoeding overeen zou zijn gekomen met de betreffende zzp’ers. De rechtbank ligt dat toe.
2.4.
[naam 1] gaf initieel aan zich niet meer te kunnen herinneren of de bemiddelings-vergoeding bovenop het door haar voorgestelde uurtarief is gekomen of dat de bemiddelingsvergoeding van het door haar voorgestelde uurtarief is afgetrokken. AHK heeft echter emailcorrespondentie tussen [gedaagde] en [naam 1] van 28 maart 2023 overgelegd. Waaronder de e-mail van 14:22 uur van [gedaagde] aan [naam 1] :

Dag [naam 1] ,
Hierbij de informele tarief/kickback fee afspraak. Formeel krijg je nog, via mijn AHK mail, een bevestiging van de opdracht en de te ondertekenen zzp-overeenkomst
Kickback fee afspraak:
-
Jouw tarief is € 135,00 p.u.
-
Mijn kickback fee is € 10,- p.u.
-
Aan de klant factuur[sic.]
je € 145,00 p.u.
-
Aan de hand van jouw maandelijkse urenstaat stuur ik mijn factuur ( [bedrijfsnaam 1] B.V.) naar [bedrijfsnaam 2] B.V.
[…]
[gedaagde]
Om 14:24 uur reageerde [naam 1] daarop:
“Akkoord[…].”
2.5.
Na tijdens haar getuigenverhoor met deze e-mailcorrespondentie te zijn geconfronteerd, heeft [naam 1] verklaard:

Ik lees de e-mail die u mij voorhoudt zo dat mijn voorgestelde tarief 135 euro per uur betrof en een kickback fee van 10 euro per uur daar bovenop is gekomen. Na het lezen van deze e-mail denk ik dat ik mij dat ook zo herinner”. [1]
2.6.
[naam 2] verklaarde over de bemiddelingsvergoeding:
“Ik heb op freelance.nl een opdracht gezien onder de naam MIT. Vervolgens heb ik een gesprek gehad met de heer [gedaagde] , toen hebben wij de scope van de opdracht besproken en het uurtarief bepaald. Vervolgens heeft de heer [gedaagde] aangegeven dat daarop nog een broker fee zou komen. Het uurtarief dat ik heb aangegeven was ongeveer 135 of 140 euro per uur. De heer [gedaagde] gaf aan dat daarop nog een bemiddelingsvergoeding van 10 euro per uur zou komen.
[…]
V: Heeft de bemiddelingsvergoeding die u met de heer [gedaagde] bent overeengekomen tot een hoger uurtarief bij AHK geleid?
A: Ja, op mijn uurtarief kwam er 10 euro bij.” [2]
2.7.
Beide zzp’ers hebben aldus verklaard dat het aan AHK gefactureerde uurtarief € 10 per uur hoger is uitgekomen door de bemiddelingsvergoeding van [gedaagde] . In het geval van [naam 1] wordt dit ook bevestigd door de door AHK overgelegde emailcorrespondentie van 28 maart 2023. AHK slaagt in haar bewijsopdracht.
Er is geen sprake van eigen schuld bij AHK
2.8.
[gedaagde] heeft bij conclusie na enquête schriftelijke inhuurverzoeken overgelegd. Uit die inhuurverzoeken zou wat [gedaagde] betreft blijken dat voorafgaand aan elke inhuuropdracht de volledige financiële gegevens en contractsvoorwaarden formeel ter goedkeuring aan [gedaagde] zijn directe leidinggevenden bij AHK zijn voorgelegd. In de inhuurverzoeken staat steeds een specificatie van het voorgenomen uurtarief en de duur van de opdracht opgenomen. Ook staat in de inhuurverzoeken dat financiële dekking nog moet worden afgestemd met de leidinggevenden van [gedaagde] . [gedaagde] stelt, onder verwijzing naar deze inhuurverzoeken, dat hij steeds zijn inhuurplannen ter goedkeuring aan zijn directe leidinggevenden heeft voorgelegd en dat zij naar aanleiding daarvan vragen hadden kunnen stellen over een mogelijk persoonlijk belang van [gedaagde] , commissiestructuren of belangenverstrengeling. Het feit dat de leidinggevenden van [gedaagde] deze vragen niet zouden hebben gesteld, zou maken dat AHK (een deel van) de geleden schade zelf zou moeten dragen.
2.9.
Het verweer van [gedaagde] kan echter niet slagen. Los van het feit dat – zoals AHK benoemt – niet alle inhuurverzoeken zien op voor deze zaak relevante opdrachten, blijkt uit de inhuurverzoeken niet meer dan dat [gedaagde] aan zijn leidinggevenden verzoekt om hem toe te staan voor een specifieke opdracht externe krachten te werven. De inhuurverzoeken bevatten voor AHK geen enkele aanwijzing dat er sprake zou zijn van een bemiddelingsvergoeding aan [gedaagde] . Het bevestigt daarentegen het eerder in het tussenvonnis opgenomen oordeel dat [gedaagde] bij het werven van de zzp’ers handelde in het kader van zijn interim opdracht. Ook kan het in het licht van het door [gedaagde] gecreëerde – en verborgen gehouden – risico op belangenverstrengeling niet zo zijn dat AHK navraag had moeten doen naar eventuele commissiestructuren. Het was aan [gedaagde] om openheid van zaken te geven. Zeker gezien de leidinggevende functie die [gedaagde] vervulde en de daarbij behorende vrijheid die hij genoot.
2.10.
De rechtbank merkt bovendien op dat het verweer van [gedaagde] tegenstrijdig is met het eerdere standpunt dat [gedaagde] heeft ingenomen. Zo heeft [gedaagde] ter zitting betoogd dat de bemiddelingsvergoeding pas voor het eerst met de zpp’ers ter sprake zou zijn gekomen nadat AHK en de zzp’ers het uurtarief voor de opdracht waren overeengekomen. Dit (onjuist gebleken) standpunt verenigt zich niet met het door [gedaagde] gevoerde verweer dat AHK indien zij navraag had gedaan bij [gedaagde] naar aanleiding van de inhuurverzoeken bekend zou zijn geworden met de bemiddelingsvergoeding.
2.11.
Tot slot merkt de rechtbank op dat [gedaagde] bij conclusie na enquête heeft betwist dat sprake is van onzorgvuldigheid van de zijde van [gedaagde] . Voor het geval [gedaagde] de rechtbank daarmee heeft willen verzoeken van haar bindende eindbeslissing in het tussenvonnis terug te komen, ziet zij daartoe gezien het voorgaande geen aanleiding. [gedaagde] was het hoofd van de afdeling waartoe de twee zzp’ers behoorden en [gedaagde] was namens AHK de persoon die moest aftekenen op het urenoverzicht van de zzp’ers. Door met de betreffende zzp’ers een bemiddelingsvergoeding van € 10 per gewerkt uur overeen te komen, zonder daarover transparant te zijn ten opzichte van AHK, heeft [gedaagde] – gezien het risico op belangenverstrengeling – onzorgvuldig gehandeld. De op [gedaagde] rustende zorgplicht volgt uit artikel 7:401 BW Pro en daaraan doet de vraag of de interne integriteitsregeling van AHK op [gedaagde] van toepassing is – zoals [gedaagde] lijkt te betwisten – niet af.
Conclusie: de vorderingen van AHK worden toegewezen
2.12.
Zoals in het tussenvonnis geoordeeld zal AHK gezien voorgaande worden veroordeeld tot vergoeding van de door AHK geleden schade ter hoogte van € 26.849,90 (randnummers 5.12. en 5.13. van het tussenvonnis), de onderzoekskosten van € 10.317,76 (randnummers 5.15. tot en met 5.17. van het tussenvonnis) en de buitengerechtelijke kosten van € 1.146,68 (randnummer 5.19. van het tussenvonnis). Bovendien wordt over de hoofdsom van € 26.849,90 de wettelijke rente zoals gevorderd toegewezen vanaf 20 juli 2024, zoals ook in het tussenvonnis overwogen (randnummer 5.14).
[gedaagde] moet ook de proceskosten van AHK betalen
2.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van AHK betalen. De proceskosten van AHK worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
2.995,00
- kosten getuigen
1633,70
- salaris advocaat
4.515,00
(3,5 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
9.478,15
2.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan AHK van een schadevergoeding van € 26.849,90, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 20 juli 2024 tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan AHK van € 10.317,76, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 16 januari 2025 tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan AHK van € 1.146,68 aan buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 16 januari 2025 tot de dag van volledige betaling,
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 9.478,15, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Hengeveld en in het openbaar uitgesproken op
15 april 2026.

Voetnoten

1.Het proces-verbaal van de getuigenverhoren van 3 december 2025, p. 6.
2.Het proces-verbaal van de getuigenverhoren van 3 december 2025, p. 8.